Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 5 september 2009
De ander belangrijker achten
Filipenzen 1:3
Twee weken geleden zijn mijn vrouw en ik terug gekomen van onze fietsvakantie in Frankrijk. Tijdens onze tocht
zijn we verschillende keren andere Nederlandse fietsers tegen gekomen. Welke route rijden jullie?
Nou, wij zijn met die-en-die route bezig. En voordat je het in de gaten hebt rollen de fietsprestaties van de
afgelopen jaren over
het asfalt. En dan kan het maar zo gebeuren dat het een opbieden tegen elkaar wordt. Om maar te laten zien dat
je niet voor de ander onderdoet.
Laten we even wat nader naar het gelezen schriftgedeelte kijken.
De apostel Paulus schrijft aan de christelijke
gemeente in de stad Filippi.
De stad waar hij zelf het
evangelie van Jezus Christus heeft verkondigd.
Hij komt in deze brief met een indringende oproep aan de gelovigen. Het is de oproep om de ander belangrijker te achten dan jezelf. Dat is de wil van God voor de gelovigen van deze gemeente. Op deze manier zullen ze met elkaar om dienen te gaan, elkaar dienen te aanvaarden.
Waar baseert Paulus deze oproep op?
De gelovigen worden door Jezus Christus bemoedigd;
De gelovigen worden door de liefde (van God?) getroost;
De gelovigen zijn verbonden met de heilige Geest.
God is aan het werk in de gelovigen en in de gemeente als geheel. Kijk eens, laat Paulus zien, wat jullie allemaal
hebben ontvangen en nog steeds ontvangen. Is het niet geweldig? Kijk eens naar je buurvrouw in de kerk, en zie
wat zij ontvangt van God.
Kijk eens naar je buurman in de kerk en zie wat hij ontvangt van God.
Paulus is blij
met de gemeente van Filippi, maar hij ziet de mogelijkheid dat de gemeente zijn blijdschap nog groter maakt.
En dat kunnen de gemeenteleden doen door in alle bescheidenheid de ander in de gemeente, die broeder en
die zuster, belangrijker te achten. Die bescheidenheid, die nederigheid werd in de niet-christelijke context van
die tijd niet als iets positiefs ervaren, maar eerder als een teken van lafheid, een gebrek aan durf.
Maar Paulus laat merken dat het juist van lef getuigt wanneer je de ander eer betoont, en dat doet uit liefde. Omdat je van
je naaste houdt en omdat je van Christus houdt.
De ander belangrijker achten, daar wijst Paulus de gelovigen op.
Ja, maar moet je die ander niet de waarheid durven vertellen.
Welke waarheid ?
De waarheid van Christus?
Of de eigen waarheid?
Of de waarheid van het eigen gelijk?
We kunnen de neiging hebben om op te treden als advocaat van ons eigen gelijk, met als gevolg dat we de ander
niet meer zien in het licht van de genade en de liefde van Christus.
Wat belangrijk is is dit: leer eens je eigen hart kennen. Met welke motieven ben ik bezig?
Zijn mijn motieven
altijd goed? Zijn mijn motieven in mijn omgang met mijn naaste goed in het licht van de liefde van Christus?
Hoe moeilijk is dat om dat te doen voor eigen leven, voor het aangezicht van God.
Hoe zouden we dan de
motieven van onze naaste, ook en juist onze kerkelijke naaste, dan altijd op waarde weten te schatten.
Het is een andere houding dan die van de Farizeeër, die zo dankbaar was dat hij niet zo slecht was als de tollenaar.
In onze kerkelijke contacten kan het zo maar gebeuren.
Kijk eens welke mooie route wij als kerken afleggen.
Kijk eens wat wij al gedaan hebben.
Kijk eens waar wij naar toe gaan.
Kijk eens hoe goed en zuiver wij de Heer dienen.
En hoe kijken we dan tegen die ander, onze kerkelijke
naaste, aan?
Laat de houding van Christus onze houding bepalen.
Hij heeft zich vernederd. Hij heeft alle hemelse
heerlijkheid achter zich gelaten, om onder ons te zijn.
En Hij roept ons op om in eigen bescheidenheid de
ander te zien en te ontvangen.
We mogen dankbaar zijn voor het vele goede dat wij hebben ontvangen van de
drie-enige God.
En we mogen dankbaar zijn over het goede dat onze
naaste heeft ontvangen van diezelfde God.
Daar mogen wij ons over verheugen.
ds. W. Molemaker, NGK, Amersfoort
Terug naar overzicht gebedsavond