Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 4 september 2010
Bidden om eensgezindheid … vraagt bescheidenheid
Vanavond bidden we om eensgezindheid.
Het is veelzeggend dat we daarom moeten bidden!
Blijkbaar kunnen wij die eensgezindheid niet zelf organiseren. Het moet ons gegeven worden. We moeten er om bidden.
Nu alleen dát besef al moet ons bescheiden maken. En laten we maar eerlijk zijn: die bescheidenheid ligt ons niet zo erg.
Daarmee zeg ik niets nieuws. Zo was het ook al in de tijd van Jezus en zijn leerlingen. We hebben er iets over gelezen. De leerlingen komen bij Jezus en vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’
Dat is een vraag die ons meer ligt. ‘Wie is de grootste?’
Daar werd in de tijd van het NT goed naar gekeken. Bij elke gelegenheid. Bij een maaltijd, bij plechtigheden in de tempel, in de rechtspraak: wie is de belangrijkste en hoe moeten we hem op een gepaste manier met respect en eerbied behandelen? Wie moet de mooiste, de voorste plaats krijgen?
Ach, en eigenlijk is dat nu in onze tijd nog niet veel veranderd. Zo gaat het in onze samenleving. Laat ik het maar dicht bij mezelf houden: ik merk dat ik best wel onder de indruk kan zijn van iemand die het gemaakt heeft in het leven. En dat ik het ook wel leuk vind als mensen respect voor me hebben en me belangrijk vinden.
‘Wie is de grootste?’ vragen de leerlingen. Een begrijpelijke, menselijke vraag.
Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Iets heel onverwachts.
Jezus roept een kind bij zich en zegt: ‘Als je niet verandert (dat wil zeggen: als je dat zoeken van eigen grootheid en belangrijkheid niet opgeeft) en wordt als een kind (een kind dat maatschappelijk en religieus niet meetelt; klein, zwak, afhankelijk, pretentieloos) dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan (dan heb je niets van het koninkrijk van God begrepen en hoor je er niet bij).’
‘Wie zichzelf vernedert (dus wie afziet van al zijn pretenties dat hij belangrijk en goed is en dat hij het bij het rechte eind heeft, de waarheid of de zuivere leer in pacht heeft) en wordt als een kind (en wat is worden als een kind anders dan dat je ‘Vader’ leert zeggen en vol vertrouwen en afhankelijkheid opziet naar Vader?), die is de grootste in het koninkrijk van de hemel’.
Dus de vraag wie de grootste is, mag wel gesteld worden. Als je dan maar wel weet dat het antwoord anders is dan je verwacht.
Want de grootste in het koninkrijk van God is degene die van zichzelf het kleinst denkt. Die verwondert en verrast, vol vertrouwen en afhankelijkheid als een kind ‘Vader’ leert zeggen tegen God.
Die regel geldt in het Koninkrijk van God en dus ook in de kerk.
Prof. David Bosch, een invloedrijke Zuid-Afrikaanse zendingswetenschapper die in 1992 bij een auto ongeluk omkwam, heeft er eens op gewezen dat in de samenleving de begrippen ‘macht’, ‘status’ en ‘bezit’ bepalen wie en wat je bent. Wij zouden er tegenwoordig waarschijnlijk nog een begrip aan toevoegen: prestatie. Je bent wat je presteert, wat je bezit, welke status en welke macht je hebt.
En, zei prof Bosch (en dan moet u zich bedenken dat hij dat zei in de tot op het bot verdeelde samenleving van Zuid-Afrika in de tijd van apartheid), in de samenleving geldt de regel dat je moet proberen om de ander in macht, status, bezit (en prestaties) te overtreffen.
Dan ben je groter dan die ander. Dan kun je die ander overheersen. Die ander aftroeven.
En weet je wat het probleem is met de kerk, en met ons kerkmensen, zei hij (nogmaals, dat zei hij dus in die apartheidstijd in Zuid-Afrika waarin ook de kerk tot op het bot verdeeld was), de kerk (wij!) zijn daar óók voor gevallen. Ook voor ons, ook in de kerk, gaat het te vaak om macht, status en bezit.
En ik denk dat hij daar gelijk in had. En dat dat niet alleen voor de Zuid-Afrikaanse situatie toen gold, maar ook nu, voor ons, in de verdeelde kerk hier bij ons.
Met als gevolg dat het in de kerk heel vaak gaat over eigen gelijk, eigen kerk(je), eigen overtuigingen, eigen gewoonten, eigen cultuur, eigen groep, noem het allemaal maar op.
En dat terwijl de kerk juist een andere, een alternatieve gemeenschap in de wereld zou moeten zijn. Een gemeenschap waarin het niet gaat om macht, aanzien, bezit of prestaties. Maar om geloof, hoop en liefde. Om worden als een kind dat ‘Vader’ heeft leren zeggen.
Om vertrouwen, afhankelijkheid en bereidheid om elkaar en de wereld om ons heen te dienen.
Geloof, hoop en liefde, dat zijn we de wereld schuldig.
En als ik dat nu eens toe mag passen op de zaak waarvoor wij hier vanavond bij elkaar zijn gekomen. De eenheid van de kerk. Eensgezindheid waar we om bidden.
Laat ik maar eerlijk zeggen dat ik dan pessimistisch ben als het gaat om landelijke eenheid, die achter vergadertafels bereikt zou moeten worden. In allerlei besprekingen en onderhandelingen.
Misschien is het wel zo dat we moeten belijden dat vergadertafels niet zo uitnodigen en stimuleren tot het worden als een kind.
Maar aan de andere kant ben ik heel optimistisch en hoopvol als het gaat om plaatselijke eenheid. Waar leden van verschillende kerken zonder al te veel pretenties eenvoudig met elkaar samenwerken en elkaar leren waarderen in het liefdevol dienen in een hospice, of in evangelisatieactiviteiten of in het werk voor een voedselbank. En die elkaar zo hebben leren kennen als kinderen die samen één Vader hebben.
En dan is het geweldig om te mogen zien wat God doet.
Nu zo mogen we bidden om eensgezindheid. In alle bescheidenheid, want er is reden te over om vol vrees en schaamte tot God te naderen. Maar tegelijk mogen we ook vol kinderlijk vertrouwen veel verwachten van wat Vader zal doen.
Terug naar overzicht gebedsavond