Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, 4 september 2010

Matteüs 18:1-9; 10-20; 21-35

Eensgezind, eenparig (vertaling 1951) bidden: dat biedt, zegt Jezus, uitzicht op verhoring. ‘Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen laten gebeuren’ (vs. 19). Het is eensgezindheid die aan het gebed vooraf gaat en in het bidden blijkt. Letterlijk vertaald staat er: als twee van jullie samenstem-men (sumphoonèsoosin), als twee van jullie éénstemmig bidden. Daartoe ook het appèl als gebeds-beweging: uitnodiging tot dsEAdeBoereenstemmigheid.
Zo spreekt de Heer de leerlingen aan die de voorhoede van het koninkrijk vormen. Die de christelijke gemeente voorgaan. De belofte van verhoring bij eenparig gebed is dus eerst aan hen gericht. Hij belooft zijn aanwezigheid in hun midden als ‘twee of drie’ in zijn naam vergaderd zijn. Twee of drie ‘van jullie’, zoals hij in vers 19 zegt [niet ‘mensen’ algemeen]. Wat een belofte nu het bijna richting  Jeruzalem gaat!
Maar een belofte van Hem is nog geen claim van ons. ‘Want waar twee of drie [mensen] in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’. Dit vers wordt gretig misbruikt om de aanwezigheid van de Heer voor ons idee van gemeente of groep  te claimen. Bijv. door bevlogen gelovigen die met z’n drieën de doop aan een vierde bedienen. Maar wat moet er gebeuren om werkelijk ‘in zijn naam’ bijeen te zijn? Daar moet, om aan het verband van het schriftwoord recht te doen, ook met zonde geconfronteerd worden. Zonde in woord of daad, van een struikelblok vormen of over eigen lede-maten struikelen
Een zwaar Schriftgedeelte. Is hiervan niet de kerkelijke tucht afgeleid – in de fasen die de Dordtse kerkorde aanbrengt? Vermaan onder vier ogen, vervolgens vermaan met meerderen, tenslotte aanzegging aan de gemeente (vgl. HC v/a 85). Kerkelijke tucht heeft een nare nasmaak wanneer het als machtsmiddel is ervaren. Wanneer tucht over ambtsdragers  en uitsluiting uit het koninkrijk der hemelen samenvielen. Maar gaat het de Heer Jerzus daar in Matteüs 18 wel over?
Het is de tweede keer dat het woord ekklesia valt. Eerder had Jerzus gezegd dat hij op ‘deze Petra’ zijn ekklesia, zijn gemeente zal bouwen (16:17). In Matteüs 18 gaat het erom of je de ander (‘een van deze kleinen die in Mij geloven’) of jezelf laat struikelen (skandalizoo). Je bestemming is Gehenna of het koninkrijk van de hemel.
Vervolgens tekent Jezus de herder  die het ene schaap opzoekt dat uit de kudde van honderd afdwaalt. ‘Zo is het ook bij jullie Vader in de hemel: hij wil niet dat een van deze geringen verloren gaat’. Niet door de zonde waartoe jij hem brengen kan. ‘Waak ervoor ook maar één van deze geringen te verachten’ (vs. 10). Engelen waken en wachten op een commando – om voor die kleine en tegen jou op te treden.
Hoofdlijn is dus: niet jezelf hooghouden, maar meewerken om zondaars te behouden.
Maar wat nu als jij niet degene bent die de ander laat struikelen? ‘Als een van je broeders of zusters tegen jé zondigt …’ Het gaat dus over zonde tégen mij. Zo heeft Petrus het ook begrepen (vs. 21). Het is dus niet in de eerste plaats een blauwdruk voor vermaning bij zonde in het algemeen. Specifiek: als ik schade lijd door de verkeerde daad,het  woord, het voorbeeld van mijn broeder. Kijk, nu komt dit woord van Jezus al dichterbij in een samenkomst van leerlingen die van elkaar vervreemd zijn en elkaar het nodige verwijten!
Wel, zegt de Heer, spreek de ander aan. Onder vier ogen. Dus: sla niet van je af; schrijf geen boze brief; sluit de deur niet. Die eerste stap kost al veel zelfoverwinning: naar de dader toegaan voor een ontmoeting onder vier ogen – voor Gods aangezicht. Je wilt de ander immers van zijn zonde afbrengen en terugwinnen – als je broeder! Hem weer als broer erkennen in de Heer.
Als het niet lukt en hij niet wil luisteren, neem dan nog één of twee anderen mee. Medegelovigen die getuigen kunnen zijn van het optreden van jou en je vervreemde broeder. ‘Zodat de zaak zijn beslag krijgt dankzij de verklaring van tenminste twee getuigen’ (vs. 16). Twee of drie getuigen:dat is de regel van rechtspraak in het OT. Het getuigenis van twee of drie stáát. (En wie vals getuigt zal zelf de gewenste straf krijgten.) Zo graag wuil je de ander afbrengen van zijn zonde, zo graag wil je met hem verzoend worden. Desnoods schakel je de gemeente in. Als zij naar het oordeel van de gemeente niet luisteren, dan keert de verhouding terug van die tussen broeders naar die tussen leerling van de Heer en heiden, c.q. tollenaar – iemand die tot de Heer en door de Heer geroepen moet worden.
Het indringend gebed van vers 19-20: dat moet dus wel gaan om het behouden van een zondaar! De twee die hier op aarde eensgezind bidden, zijn het basisaantal getuigen uit de rechtspraak van het OT. De twee of drie die samen gekomen zijn in Jezus’ naam, zijn dat met het oog op die zondigende broeder! In Jezus’ naam samen zijn is dus: samen zijn omdat de Vader in de hemel niet wil dat één van deze geringen verloren gaat.

ds. E.A. de Boer


Terug naar overzicht gebedsavond