Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, 4 september 2010

Matteüs 18 : 1-9; 10-20; 21 - 35

Gelukkig is dit een Bijbelgedeelte dat aan duidelijkheid niet te wensen overlaat. Niet dat het dan makkelijk voor ons wordt. Maar deze gelijkenis snapt in elk geval iedereen, toch? Omdat God ons heel veel heeft vergeven, moeten wij elkaar ook kunnen vergeven. En anders trekt God zijn vergeving weer in. Dat is dan het moeilijke en dat lossen we op door te zeggen: als er dan in elk geval maar een hartelijk voornemen  van vergeving is (HC Z51). En zo is het een prachtige conclusie: “Bidden om eensgezindheid... brengt tot gul vergeven”.
Alleen: het voorbeeld van de Heiland is een vreemd voorbeeld. Het is toch een voorbeeld bij zijn antwoord aan Petrus dat je niet zeven maal, maar zeventig maal zeven maal moet vergeven als iemand tegen jóu heeft gezondigd? Waarom dan dit voorbeeld?
Een deel van het antwoord zit in de vraag van Petrus zelf. Die vergeving heeft te maken met het feit dat het om telkens dezelfde overtreding of dezelfde zonde gaat: een hardnekkige zonde en een hardnekkig kwaad! Denk maar aan het voorbeeld dat je als ouders door je verslaafde zoon of dochter telkens weer bestolen wordt. Dan is één keer vergeven wel mogelijk. Een tweede keer wordt het moeilijker, maar een derde keer wordt het een godswonder! Zo dachten ook de schriftgeleerden. Zij stelden als maat: drie maal vergeven is genoeg, meer hoeft niet.
Maar wat is dan die hardnekkige zonde van jouw broeder of zuster, waarvoor jij zo optreedt als die dienaar in de gelijkenis? Ik geloof stellig dat het antwoord is: omdat de dienaar zich opstelt als koning. Zich inbeeldt dezelfde macht en hetzelfde gezag te hebben als de koning. In de gelijkenis gaat het om  - laten we maar zeggen – de minister van financiën. Of tenminste een van de topambtenaren van het ministerie, afdeling belastingen. Het gaat om miljarden die verdwenen zijn. Hoe dan ook, als de zaak aan het licht komt en het dreigt de ambtenaar zijn vrijheid en zijn gezin te kosten – eigenlijk: zijn leven -, dan valt hij op zijn knieën voor de koning. Wonderlijk genoeg vraagt hij niet om vergeving, maar om geduld. Kennelijk ziet hij kans om zijn miljardenschuld binnen de kortste keren te kunnen vereffenen. Je zou dus kunnen denken aan fraude, waarbij hij geld daarvan heeft uitstaan bij medeambtenaren. Daar doet de schuld van zijn collega tenminste wel aan denken. De koning gaat veel verder dan de ambtenaar vraagt: de situatie van deze ambtenaar raakt hem echt tot in het diepst van zijn ziel en hij scheldt de schuld kwijt.
Op het gevaar af te allegoriseren in plaats van de gelijkenis een gelijkenis te laten zijn, wil ik hier toch naar een belangrijke opmerking. Heel deze gelijkenis wijst naar onze enorme schuld door onze zonde. Als het gaat om onze schuld vanwege onze diep ingekankerde zonden tegenover God, dan hebben wij inderdaad de neiging om God om geduld te vragen. Wij lossen dat graag zèlf op. Het is onze eer te na! Zonder ons te realiseren dat wij van God genade ontvangen en leven krijgen! Vaak is die schuld in onze ogen ook niet zo groot. Maar die bij een ander ergert ons enorm.
Dat zie je in die ambtenaar. Even later grijpt hij hardvochtig één van zijn collega’s bij de keel vanwege een kleine schuld. Hoe kan dat gebeuren? Gewoon, omdat het om dat geld van die fraude gaat. En, omdat alle kleine beetjes helpen je schuld bij de koning te verminderen! Bovendien, zo kun je de zaak misschien wel in de doofpot stoppen. Als het om ons eigen geld gaat, of laten we meteen maar de koe bij de horens vatten, omdat het om ons eigen gelijk gaat, willen we van geen wijken weten. Dan vergelijken wij ons graag met God. Ik ben zo kwaad nog niet, maar die ander… of die andere kerk… dat moet gestopt worden.
De gelijkenis staat niet op zichzelf. En hij staat ook niet alleen in het verband van Petrus’ vraag. Het gaat in dit hoofdstuk om de kleinen in Gods koninkrijk. Mensen die je niet moet laten struikelen. Terwijl je best iemand mag wijzen op zijn zonden en hem daarom mag bestraffen. Maar de Here Jezus wil daarbij een grondfout van ons alvast aan de orde stellen: dat wij bij het aanwijzen van de zonde en het mogen en moeten vergeven van elkaar, niet op Gods stoel moeten gaan zitten en zelf oordelen over leven of dood.  Dan lopen wij het grote gevaar een ander zulke verschrikkelijk zware lasten op te leggen, dat ze er aan onderdoorgaan. Wij worden onmenselijk, maar weigeren een vinger uit te steken om zelf die last te dragen.
Dat vraagt van ons onderscheidingsvermogen. Als het ons werkelijk om toenadering tot elkaar gaat, in hoeverre staan dan zonden in de weg? Zijn de verhoudingen wel juist? Is onze maat wel goed? Daarom is het een indringende vraag: kennen wij God wel? Hebben wij/ heb ik echt een idee van de kwijtschelding van onze/mijn schuld? Leef ik echt met God? Kan ik een ander ruimhartig vergeven? Of modder ik maar wat aan daarmee? Is het mij werkelijk om een leven met God te doen? En wil ik dan aanvaarden dat God mij daarbij miljoenen broeders en zusters cadeau doet? Broeders en zusters met fouten en gebreken? Broeders en zusters die telkens in een zelfde fout kunnen vervallen? Zoals ikzelf telkens in dezelfde fout verval? Ben ik bereid van harte te vergeven?
Dat kán. Als je zelf ontdekt hebt dat jouw zonden vergeven zijn door de dood van Christus voor jouw zonden; als je achter je eigen leven het gebroken lichaam van Christus ziet hangen en daardoor ontdekt dat datzelfde gebroken lichaam ook hangt achter het leven van al die broeders en zusters die jij misschien niet zo ziet zitten, als je over jouw zonden en die van je broeders en zusters het verzoenende bloed van Christus ziet, dan kun je telkens weer elkaar zonden vergeven. Dan kun je elkaar opzoeken op een weg van eensgezindheid. En alleen dat gebed maakt de weg vrij tot gulle vergeving.

ds. D.W. Fijan

 


Terug naar overzicht gebedsavond