Meditatie op gebedssamenkomst
Emmeloord, 4 september 1999
Ad de Boer n.a.v. Psalm 51
Elke zondag ga ik er onder door. Onder die grijze gevelsteen boven de ingang van ons kerkje in Voorthuizen.
"Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Doe wel aan Sion naar Uw welbehagen. Bouw de muren van Jeruzalem op."
Die woorden uit Psalm 51 staan gebeiteld boven de ingang van de Nederlands Gereformeerde Kerk in Voorthuizen. Ze staan daar al meer dan honderd jaar; sinds de bekende mr. dr. Willem van den Bergh met die tekst in 1884 in Voorthuizen als predikant intrede deed.
"Een gebroken en verslagen hart" - verootmoediging.
Maar ook: "Bouw de muren van Jeruzalem" - gemeenteopbouw, kerkelijk herstel.
Die twee hebben kennelijk met elkaar te maken. Voor we kunnen bouwen, moet er eerst puin geruimd worden. Verootmoediging gaat vooraf aan herstel van de kerkelijke eenheid.
Maar weet u... ik vind het eigenlijk heel moeilijk om in verband met kerkelijke eenheid iets over verootmoediging te zeggen. Verootmoediging betekent toch dat ik schuld belijd. Dat ik heel diep besef dat ik gezondigd heb. Dat ik dat tegen God zeg. En dat ik heel klein word voor Hem.
Maar eigenlijk vind ik dat helemaal niet. Eigenlijk voel ik me helemaal niet zo schuldig. Eigenlijk vind ik dat die kerkelijke verdeeldheid niet aan mij ligt. Ik heb toch zeker de kerk niet gescheurd? Ik was toch zeker geen synodelid of kerkenraadslid in de dagen van crisis? Ik was er toch niet bij in 1892 of in 1944 toen de synodes vergaderden? En ik was in 1967 toch geen dader, maar alleen maar slachtoffer? Ik heb toch gehuild om de breuk en ik huil toch nog om de barrières die er tussen de kerken zijn? En ik span me toch in mijn eigen gemeente in om de broeders en zusters in de andere kerken weer in het oog te krijgen? Waarom moet ik dan schuld belijden?
Waarvoor zou ik me moeten verootmoedigen? Ja, die ander! Die andere christenen! Die andere kerken! Als die maar niet zo star geweest waren. Of niet zo zwaar op de hand. Of niet zo slap. Of niet zo eigenzinnig. Als ze daar de eenheid maar hadden gezocht en bewaard. Maar ik?
"Ach Here. Zij hebben gezondigd en misdreven, zij hebben goddeloos gehandeld. Zij zijn weerspannig geweest. Zij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen".
Herkent u die woorden?
Daniël in ballingschap in Babel denkt aan de puinhopen van Jeruzalem. Hij herinnert zich hoe het allemaal gekomen is, herinnert zich de zonden van het volk. En zegt: "Ach Here, zij hebben gezondigd, zij hebben niet geluisterd, zij zijn afgeweken..."
Zegt Daniël dat echt? Zegt hij: Zij hebben dit en dat misdreven?
Nee, dat zouden wij misschien zeggen. Dat zou ik misschien zeggen: Zij, die anderen.... Maar de vrome Daniël, die de Here zo trouw heeft gediend, zegt: "Wij hebben gezondigd en misdreven. Wij hebben goddeloos gehandeld. Bij u, Here, is gerechtigheid, maar bij ons is een beschaamd gelaat. O Here, hoor. O Here vergeef. O Here merk op".
En de vrome Ezra, die het volk voorging in het dienen van God, zegt: "Mijn God, ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel. Wij zijn in grote schuld en om onze ongerechtigheden zijn wij overgeleverd. Wij hebben uw geboden verlaten. O Here, God van Israël, zie: Wij staan voor Uw aangezicht in onze schuld".
En de vrome Nehemia, die de muren van Jeruzalen gaat herbouwen, zegt: "Ik doe belijdenis van de zonden van de Israelieten die wij tegen U bedreven hebben. Zwaar hebben wij misdreven tegen U".
En zo kan ik doorgaan. Steeds weer opnieuw klinkt het in de Bijbel: Niet zij, maar wij! Kennen we daar iets van? Kent u daar iets van?
We zeggen dat we leven in een individualistische tijd, in een tijd van ieder-voor-zich, een tijd waarin verbanden en collectiviteiten wegvallen. En daar zijn we als gereformeerde christenen in menig opzicht verdrietig over.
Maar zien we dat we zelf ook een klap van de molen heben meegekregen? Dat we zelf ook vaak heel individualistisch denken, spreken en handelen? We leggen in deze tijd veel nadruk op persoonlijke bekering, persoonlijke geloofsbeleving en persoonlijke geloofsgroei. Dat is goed en dat is nodig. We worden niet zalig doordat we gedoopt zijn of doordat we aktief kerklid zijn. Maar dat persoonlijke mag niet individualistisch worden. Beseffen we nog wel voldoende dat we deel zijn van een groter geheel? Dat we deel uitmaken van het ne volk van God, van het ene verbond dat God met mensen sloot, van de ene gemeente van Jezus Christus, van de ene kerk die naar art. 27 NGB de heilige vergadering van de ware christgelovigen is? Beseffen we dat we het dus nooit kunnen hebben over 'zij', maar dat we altijd over 'wij' moeten spreken? Dat is geen zaak van gevoel. Of we dat zo voelen of niet, is niet beslissend. Het is een zaak van geloof. Zo spreekt Gods Woord. Ezra, Nehemia, Daniël.
En ik vraag u en stel mezelf de vraag: Als de Hervormde Kerk kraakt onder de Samen-op-Weg-discussie, kraken wij dan mee? Lijden wij dan mee? Voelen we ons medeschuldig en beschaamd, als de wereld het gekrakeel over een nieuwe naam voor die kerk belachelijk maakt? Of zeggen we: moet je die eens zien, en schimpen we met de wereld mee? Als onze Gereformeerde Bondsbroeders intern verdeeld zijn over hoe het verder moet met hun kerk, proberen we dan de pijn met hen mee te voelen? Voelen we hun schuld als onze schuld? Of zeggen we: dan hadden ze maar met de Afscheiding of de Doleantie mee moeten gaan? Is het "zij" of is het "wij"?
Als in de Gereformeerde Kerken de verzoening wordt aangetast, hoe is dan onze reactie? Zeggen we dan: Dat komt er nu van, als je de eerste stap op het hellende vlak zet? Zie je wel: het gaat van kwaad tot erger? Of lijden we er mee pijn aan? Voelen we hun schuld als onze schuld? Hun pijn als onze pijn? En vragen we ons af: hebben we de Gereformeerde Kerken niet veertig jaar lang alleen laten tobben met de vragen rond het Schriftgezag, rond openbaring en ervaring, in plaats van voor en met hen te bidden en dichtbij hen te staan? Is het "zij" of is het "wij"?
Als we denken aan de houding van christenen door de eeuwen heen tegenover het Joodse volk, is het dan "zij" of is het "wij"? Als we ons realiseren hoe christenen soms keihard oordelen over mensen van een ander ras, een andere huidskleur of een andere seksuele geaardheid, is het dan "wij" of is het "zij"? Zeggen we met Daniël, Ezra en Nehemia: Wij hebben gezondigd"?
Ik kan niet voor u bepalen, wat er bij u mis is. Ik kan niet zeggen, waarvoor u zich voor de Here moet verootmoedigen. Ik kan alleen een aantal vragen stellen. Aan u, aan mezelf.
Hebt u, heb ik met de ogen van de Here Jezus gekeken naar die andere kerken? Heb ik de broeders en zusters in de andere kerken - Nederlands Gereformeerd, Vrijgemaakt Gereformeerd, Christelijk Gereformeerd, maar ook daarbuiten - gezien als mensen waarvoor de Here Jezus zich in de dood heeft gegeven? Heb ik de kerken in andere kerkverbanden of ook in mijn eigen kerkverband gezien door Zijn ogen? Heb ik me voorgesteld, hoe Hij door een 20e eeuwse Paulus of Petrus een brief zou laten schrijven aan die kerken? Hoe Hij dan zou beginnen met woorden van genade en vrede aan het adres van geroepen heiligen, aan de gemeente van Jezus Christus? Hoe Hij zou beginnen met danken voor hun geloof en hun liefde in plaats van hen te vermanen? Heb ik, hebt u zo naar de ander gekeken?
Ik ken u niet, ik ken uw situatie niet. Ik kan alleen maar vragen:
Hebt u, heb ik de eigen gemeente waarvan we lid zijn, lief als het Lichaam van Christus? Ik bedoel: we kunnen grote woorden spreken over de eenheid tussen de kerken, we kunnen daar plannen voor maken en gebedsavonden voor beleggen. Maar wat doe ik in mijn eigen gemeente? Ben ik daar een levend lid van het Lichaam, die beseft dat hij niets waard is zonder de anderen? Ben ik daar een lid dat zich er voor geeft om zijn krachten en gaven ter nutte en ter zaligheid van de andere gemeenteleden aan te wenden? Bent u, ben ik een levend lidmaat van het Lichaam van de Here Jezus?
Ik kan alleen maar vragen: Heb ik, heeft u de neiging zich boven de ander te verheffen? Natuurlijk wil ik graag dat barrieres tussen kerken en kerkmensen worden opgeruimd. Maar tegelijk denk ik: ik ben toch wel heel blij dat ik Nederlands Gereformeerd ben, en niet zo'n starre vrijgemaakte of zo'n vage christelijke gereformeerde. Natuurlijk moeten we één worden, maar dan wel binnen onze schaapskooi. Op onze manier. Volgens onze maatstaven. Besef ik, beseft u dat de Here Jezus een andere gezindheid had en dat ook wij in ootmoedigheid de ander uitnemender moeten achten dan onszelf?
Ik ken u niet, ik ken mezelf, een beetje maar trouwens. En ik kan alleen maar vragen: Hebt u, heb ik gebeden voor de eenheid van het Lichaam van Christus? Heb ik gebeden voor de vrijgemaakte synode in Leusden, waar al maandenlang 36 broeders zich geven aan het synodewerk waarvoor ze niet zelf kozen, maar waarvoor ze werden geroepen? Of heb ik me ertoe beperkt elke morgen nieuwsgierig in de krant te kijken welke foute besluiten er nu weer genomen waren?
Heb ik, hebt u voldoende beseft dat we met vrijgemaakten en Nederlands gereformeerden en christelijke gereformeerden en hervormden en synodaal gereformeerden en baptisten en pinkstermensen lid zijn van het ene Lichaam van Christus? Gods ene volk op deze aarde? En dat als één lid lijdt, de andere leden meelijden? En dat schaamte en schuld van de een het hele Lichaam raken?
We zitten hier als christenen. Als kerkleden die - om met de woorden van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken - al hun zaligheid verwachten van Jezus Christus en gewassen zijn door Zijn bloed. Dat geloven we en dat belijden we. Je zou kunnen zeggen: we zijn bij het kruis van Christus geweest. Als Nederlands gereformeerden, als christelijke gereformeerden, als vrijgemaakt gereformeerden. Met onze hervormde broeders en onze gereformeerde zusters, met baptisten en evangelischen. We hebben aan dat kruis de Heiland zien hangen. Voor ons. We hebben dat allesbeslissende woord van genade gehoord: Het is volbracht. Je bent vrij van schuld.
Maar als we dat gehoord hebben, als we elkaar zo bij het kruis ontmoet hebben, als geredde zondaren, wat is er dan toch gebeurd? Hoe zijn we elkaar dan kwijtgeraakt? Waarom bleef het niet: genade alleen? Waarom werd onze liturgie een splijtzwam? Of onze kerkorde? Of onze vrijheidsdrang? Of onze regelzucht?
Laten we zien op wat wij verkeerd deden. Laten we beseffen dat we delen in de schuld van het ene volk van God. Niet "zij", maar "wij". Laten we ons voor God verootmoedigen. De oecumene van het hart is goed; het is een realiteit. We beleven dat met elkaar. Ook vanavond. Maar alleen als het de oecumene van het verbroken hart wordt, kunnen we elkaar echt vinden. Dan staan we naast elkaar in de schuld.
Dan knielen we naast elkaar bij het kruis van Golgotha. Waar Jezus stierf voor ons, zondaren. Vrijgemaakte zondaren, christelijke gereformeerde zondaren, Nederlands gereformeerde zondaren. En waar Hij ons vrijsprak van de schuld.
Laten we elkaar met die ogen zien: als vrijgesproken zondaren.
Dan groeit de kerkelijke eenheid.
Want nergens zijn we dichter bij elkaar dan aan de voet van het kruis.
Terug naar overzicht gebedsavond