Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, 1 september 2007
ds. A.J. Minnema


Broeders en zusters,

Van welk houtje bent u? Misschien van hetzelfde als ik. Ik ben Gereformeerd vrijgemaakt. Misschien ook van een ander houtje. Christelijk Gereformeerd of Nederlands Gereformeerd. Of nog wat anders.
‘Van ’t houtje zijn.’ Volgens de Dikke Van Dale betekent die uitdrukking: katholiek zijn. En o wee, als je niet van hetzelfde houtje was, dan was verkering uitgesloten. Om maar iets te noemen. In de Rooms – Katholieke wereld. Maar in de gereformeerde wereld evengoed. Vroeger. Vandaag gaan we er anders mee om, ruimer, meer oecumenisch. Toch?
Ik heb niet kunnen achterhalen waar de uitdrukking vandaan komt. Zou het kunnen zijn: uit het stukje van Ezechiël, dat we vanavond hebben gelezen? Ik weet het niet. We lezen hier wel van twee stukken hout die in de hand van de profeet tot één geheel samengevoegd moet worden.
Gods opdracht aan de profeet is helder en eenvoudig. Twee keer een stuk hout nemen, daar een naam op zetten. Op het ene stuk moet hij schrijven: “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen.” (Dat staat voor de stammen Simeon, Benjamin en Levi, die het Tweestammenrijk vormden.)
En op het andere: “Jozef” – dat is het stuk hout van Efraïm – “en heel het volk van Israël dat met hem verbonden is.” (Dat staat voor de andere stammen van Israël, die het Tienstammenrijk vormden.) En dan moet hij die twee stukken hout zo – zonder lijm - tegen elkaar houden, dat ze in zijn hand één zijn. Als het ware één stuk hout. Zo ziet het er dan uit. Hij moet dat verenigde stuk hout met die twee opschriften vervolgens aan iedereen laten zien, aan al zijn hoorders.
Een eenvoudige handeling, die iets uitbeeldt en die een boodschap inhoudt voor Gods gemeente. Het nodigt uit tot doorvragen bij Ezechiëls hoorders. “Wat bedoel je daarmee, Ezechiël? Wat bedoelt God daarmee te zeggen?”
De Here zegt daarmee: “Ik maak er één stuk hout van, in mijn hand zullen ze één worden.” Twee houtjes worden één. Dat beloof Ik. Let op het herhaalde ‘Ik’ in de mond van de Here. “Ik neem. Ik voeg samen. Ik haal weg.” Zo spreekt de Here. Dat is Gods stijl. Dat is Gods belovend spreken. Niet wij doen het. Hij doet het en zegt dat tegen ons.
“Ik maak van twee stukken hout één,” zegt God. Wonderlijke boodschap. Want van het houtje Jozef / Efraïm is bijna niets meer over. Het is al eeuwenlang compleet verstrooid. Maar voor God bestaat het nog wel.
Het ene volk van God was opgedeeld in twee rijken. Die scheur had God zelf getrokken na de dood van Salomo, vanwege diens ontrouw. Gods bedoeling was: twee rijken, een politieke gescheidenheid. Maar God wilde geen geestelijke scheuring. De tempel in Jeruzalem met de ene eredienst voor de ene God moest het centrum blijven. Een geestelijke eenheid wilde God.
De geestelijke scheur kwam door toedoen van Jerobeam, de zoon van Nebat. Hij deed Israël zondigen. Hij organiseerde een alternatieve godsdienst in Betel en Dan. En het liep uit op de ballingschap en de verstrooiing van beide volksdelen.
Maar God laat het er niet bij zitten. Hij wekt door zijn Geest zijn volk op uit het dal van de dood en geeft het nieuw leven. Concreet: de belofte van terugkeer uit de ballingschap.
De Here belooft zelf de herder van zijn volk te zijn. De ene herder voor de ene kudde, die Hij bijeen gaat brengen. De volksdelen worden samengevoegd in de hand van God. Door de Geest van God en van Jezus Christus.
Ik denk aan de woorden van de Here Jezus in Johannes 10: “Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.” (Joh. 10:16)
Ook hier het belovend spreken van de Heer: Zo zal het worden. Zo zal het zijn.

“… in mijn hand zullen ze één worden.” In Gods hand één. Wat een onvoorstelbare belofte. Om van te duizelen. Of schrikken we eerder en schrikken we terug voor die belofte en dat werk van God? Maar hoe groot is ons geloof dan? Of hoe klein?
Wordt het wat met deze belofte van God? In Ezechiëls dagen duurt het nog een halve eeuw voordat er een begin komt aan de terugkeer uit Babel. Nog 50 jaar wachten en bidden en geloven.
Dus, het is een kwestie van geduld en lange adem. Maar de belofte van God staat er. Als een zeker woord van de Here. Als een werkelijkheid voor vandaag. En we weten: het woord van God keert nooit ledig tot God weer.
God heeft met de vervulling van zijn beloften een lange adem. Dat blijkt telkens weer. Maar Hij gaat wel verder, onontkoombaar. In Gods hand één. Dat laat de Here zich niet ontzeggen. Vooral niet, omdat Hij met zijn belofte ook de volken op het oog heeft. God maakt zijn volk één. Eén in geloof, één in het dienen van Hem. In zijn huis.
Van dat werk van God gaat een roep uit naar de volken. Gods belofte heeft uitstraling naar de wereld. De Here zegt dat zelf in het laatste vers van ons hoofdstuk.

“En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.” (Ezech. 37:28)

Ik zie vanuit dit woord van God een lijn lopen naar de woorden van de Here Jezus in het hogepriesterlijke gebed. Wij horen onze Heer bidden:

“Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden. Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen liefhad zoals u mij liefhad.” (Joh. 17:20-23)
Ik heb gedacht bij het overdenken van dit bijbelgedeelte: Als we in onze geest de namen op de plankjes van Ezechiël – Juda en Jozef – nu eens vervangen door ons welbekende afkortingen van de kerkgemeenschappen waaruit wij komen, CGK, NGK, GKv – en van mijn part nog een paar andere… Wat betekent Gods belofte dan in onze situatie?
In mijn hand zullen ze één worden. In Gods hand één. O ja? Hoe dan? Waar? Wanneer? Als wij Gods belofte horen en ons eigen maken? Durven we het te geloven?
Is Gods belofte werkelijkheid? Of wordt Hij werkelijkheid in onze dagen?
Allemaal houtjes met verschillende namen en opschriften, ook vanavond hier bijeen in deze gebedssamenkomst. Schuiven schuurt. Leg de houtjes vooral niet met de kopse kant tegen elkaar. Dat gaat niet. Het voelt ongemakkelijk. Het botst. Overlangs glad geschuurd geeft grotere eenheid en meer beweging.

God moet wel een ontzettend grote en sterke hand hebben om al die houtjes tegen elkaar aan te klemmen en ze één te laten zijn en die eenheid ook te laten zien.
Ook geldt: alleen in Gods hand één. Want als God de houtjes loslaat, vallen ze op de grond en is verscheurdheid een feit. Door onze schuld.
In Gods hand één. Het is een eenvoudige, heldere boodschap van de Here. Eenvoudig in het geloof.
Is kerkelijke eenheid niet heel simpel, gezien Gods belofte?
God herenigt twee of meer stukken hout in zijn hand. Hij breekt scheidsmuren af, maakt hen die twee – of meer – waren één. Merkt de wereld op die manier hoe groot God is, hoe groot zijn werken zijn. De opstanding van een doods volk, de hereniging van twee rijken tot één kudde en de vergadering van de ene kerk van Jezus Christus.
In Gods hand één. Geloven we dat? Of geloven we het wel?


Terug naar overzicht gebedsavond