Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, september 2006
Ds. T.C. de Groot


Strijden tegen de tijdgeest

Johannes 17: 20 en 21

Hoe vergaat het je als je weet dat je ergens mag spreken? Dan houdt dat je bezig en het zit dan in je hoofd. Het onderwerp waar je over moet spreken houdt je bezig. En op de een of andere manier lees je dan ook de krant met andere ogen. Ik las elke dag, zoals ik dat gewoon ben, de krant en telkens viel me iets op: namelijk een aantal zaken in de politiek, de leegloop bij de LPF. Ik las een interview met Bart Jan Spruyt, die zich gevoegd had bij de groep Wilders, maar daar nu weer weg is. En ik las ook een stukje over Arthur Dokter van Leeuwen, die op de VVD lijst geplaatst zou worden op een verkiesbare plaats, maar zich uiteindelijk daaraan onttrok. En aanvankelijk, laat ik maar eerlijk zijn, had ik daar een beetje leedvermaak over. Ik dacht, dat levert in ieder geval geen zetelwinst op.
Toen ik er wat over doordacht, toen dacht ik: ja, dit typeert eigenlijk de tijdgeest, die verdeeldheid. Zo zijn wij mensen. Wij zijn egoïsten en het lijkt wel alsof het erger wordt. Om nog even naar Dokters van Leeuwen te gaan: hij werd geplaatst op nummer tien en kreeg toen te horen dat Teeven van de LPF was overgekomen en op nummer vijf was geplaatst. En beiden hebben de portefeuille justitie. Hij kon het niet hebben dat iemand belangrijker was dan hijzelf. En zo gaat het als het niet naar onze zin gaat. Dan zoeken we een ander loket. Dan trekken we ons terug. Bart Jan Spruyt trok zich terug want hij dacht er zal wel een breed rechts front ontstaan en hij zag het niet gebeuren. Dan maar niet. En uiteindelijk werd ik er verdrietig van en ik dacht: is het nu in de kerken echt anders?

De Here Jezus had het er niet op. De Here Jezus kent ons hart en Hij weet: ons hart is arglistig. Hij kent de tegenstander, de duivel. God is een God van vrede. Maar de duivel ziet graag ruzie. God is een God van eenheid. Maar de duivel zaait verdeeldheid. En de Here Jezus liep daar bij zijn leerlingen tegenaan.
Het door ons gelezen gedeelte maakt deel uit van de afscheidsrede van de Here Jezus. Hij neemt afscheid van zijn leerlingen. En je zou denken dat zijn leerlingen dan met Hem bezig zouden zijn, maar ze zijn met zichzelf bezig. Ze zeggen: wie zou de belangrijkste zijn in het Koninkrijk? Wie van ons is de grootste? Die vraag houdt hen bezig. En de Here Jezus reageert op twee manieren. Hij gaat er eerst op in door middel van het gesproken woord. Hij zegt: vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. Laat dat bij jullie niet zo zijn. De belangrijkste bij jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. En dan is de tweede reactie van de Here Jezus dat Hij bidt: Heilige Vader, bewaar hen door Uw Naam. De Naam die U ook aan Mij gegeven hebt zodat zij één zijn zoals wij één zijn. De Here Jezus bidt om eenheid voor zijn apostelen. Maar Hij weet dat allen die door hun arbeid tot geloof zullen komen het niet beter zal vergaan. Ook de mensen die later zullen toetreden, en dat zijn wij, zullen last hebben van die vraag: wie is de belangrijkste? En ze zullen last hebben van die verdeeldheid. Ten diepste, zo zitten we van nature in elkaar, wil ook in ons onze eigen haan koning kraaien. Want het moet in de liturgie zo gaan dat wij ons thuis kunnen voelen. En als het gaat om kerkelijke documenten, dan moet die handtekening eronder. Nee, zeggen anderen, mijn gesproken woord is genoeg. Daar hoeft geen handtekening meer bij. En in de verkondiging moet het vooral gaan over het werk van de Heilige Geest. Nee, zegt een ander: daar gaat het mij veel te veel over tegenwoordig. En gemeenteopbouw, dat moet wel een belangrijk thema zijn. Het kan niet meer zoals het vroeger ging. En als het niet naar onze zin gaat, dan zijn ook wij geneigd een ander loket te zoeken. En de Here Jezus heeft het voorzien en bidt: Ik bid niet alleen voor mijn discipelen, maar voor allen die door hun verkondiging in Mij geloven. Laat hen allen één zijn zoals U in Mij bent en Ik in U.

Ja, wie kan dat verstaan: de eenheid tussen Vader en Zoon. Dat is een diep geheim, waar je nauwelijks in door kan dringen. Het is een relatie van liefde. Iemand zei: er bestaat tussen de Vader en de Zoon een leef- en werkgemeenschap. Ze zijn van elkaar onderscheiden en tegelijk onafscheidelijk. En de Here Jezus, Hij verlangt ernaar dat al Zijn volgelingen één zullen zijn, zoals Hij één met de Vader is.
Waarom bidt de Here Jezus dit gebed? Dat is niet omdat wij daar een goed gevoel bij zouden krijgen. Het is natuurlijk prachtig dat wij hier vanavond bij elkaar zijn. Het is goed dat je mensen uit verschillende kerken hier ziet. Dat je samen kunt zingen, samen kunt bidden, samen kunt zoeken naar het plan van onze Heer. En geweldig als ook avondmaalstafels opengaan. Prachtig, daar kun je blij om zijn. Maar mensen, dat is niet Jezus’ diepste doel. Het gaat er niet om dat wij een goed gevoel zouden krijgen. Maar het gaat erom, zegt de Here Jezus, dat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt. Want de wereld zal doorkrijgen dat er een liefhebbende God is en dat je maar op één manier als mens tot je recht kunt komen, namelijk als je je weer omkeert naar God die we in het paradijs hebben verlaten. En alleen daar is het ware geluk te vinden. Dat is Jezus’ verlangen. Het gaat om de wereld en de Here Jezus bidt, omdat Hij weet dat de verdeeldheid in de kerken een sta in de weg kan zijn voor toetreders. Ik weet niet of u wel eens een gesprek hebt met zogenaamde buitenstaanders? Eén van de eerste dingen die ze voor je voeten gooien is: waarom zijn er nou zoveel kerken? Dat is, om zo te zeggen, geen reclame voor de zaak van Christus. ’t Is een blokkade. En dat gebed van de Here Jezus, zo vergaat het mij althans, is een appèl. Een appèl om over te nemen en zo te bidden om eenheid. Maar bidden om eenheid is nooit vrijblijvend. Zoals geen enkel gebed vrijblijvend is. Je kunt niet je handen samen doen en het er vervolgens maar bij laten zitten. Als je waarachtig bent dan moet je handelen naar wat je bidt. En dat brengt mij zelf ook tot een stukje schuldbelijdenis. Als ik naga hoe vaak ik in mijn persoonlijke gebeden bid om eenheid, dan is dat af en toe. Maar is het nu werkelijk een zaak van mijn hart? En haalt dat bidden dan wel wat uit? Zoveel jaren zijn er verstreken nadat Jezus het gebeden heeft en is het er beter op geworden? Dit jaar voor de vijftiende keer een gebedssamenkomst van het Gereformeerd Appèl. Helpt het?

Wat is het, als we ons deze vragen stellen, prachtig dat we in de Bijbel het boek Handelingen hebben staan. Denk maar eens aan Handelingen 2 en 4. De apostelen, die zo verdeeld waren, werken daar eendrachtig samen. En op één dag komen er meer dan 3000 mensen tot geloof. En wat staat er over hen geschreven? Zij waren één, één van hart en ziel. Hoe kan het? Het was Pinksteren geweest. De Heilige Geest was uitgestort. De Geest die de liefde van de Here Jezus in de harten van mensen werkt. Ze hadden elkaar lief met de liefde van de Here Jezus. En het was met handen te tasten. Ze stonden in de gunst bij het hele volk en dagelijks traden er mensen toe. Of dat gebed iets uitwerkte! En kijk eens naar vandaag! Ook in het afgelopen jaar gingen er avondmaalstafels open, waren er broeders en zusters die met tranen in de ogen samen of voor het eerst konden zingen, samen konden aanbidden, was er kanselruil, waren er fijne ontmoetingen. Ook op informeel gebied, op scholen bijvoorbeeld. God werkt. Laten wij volharden in het gebed. Want als we bidden om eenheid, dan bidden we naar Gods wil. We mogen het doen in de naam van Jezus, in vol vertrouwen op Hem!


Terug naar overzicht gebedsavond