Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 27 augustus 1994
drs E.A. de Boer
Het motto van deze samenkomst stuitte in mij op weerstand. Wie wint er geestelijk, wie wordt er rijker in de Here in de kerkelijke verdeeldheid of er dwars doorheen? Hoe kan je geestelijk winnen óndanks de scherpe scheidslijnen?
Dit motto dreigt in mij geen winst, maar het verlies aan te wijzen. Hoe kan ik hopen geestelijk van de ander te winnen, als ik dingen bij die ander meen te zien die fout zijn? Fout of overmoedig aan de ene kant, onnodig streng en mijn geweten bindend aan de andere kant. Moet ik die andere kerk niet eerst blanco tegemoet kunnen treden om er iets te winnen? Blanco is: de bezwaren en vragen terzijde leggend. Maar hoe kan ik dat? Of een stap verder: hoe krijg ik vrijmoedigheid in de Here om die andere gemeenschap met de verwachting tegemoet te treden dat er voor mij en de mijnen iets te winnen is?
De eerste winst van deze vragen is: dat ik in die onmacht naar de HERE gedreven wordt om kracht. En dat ik bij Gods Woord te rade ga om liefde die gestalte krijgt "in helder inzicht en alle fijngevoeligheid om te onderscheiden waarop het aankomt" (Fil. 1:9-10).
Wijsheid in het Woord
Ik zoek in mijn Bijbel al lange tijd naar parallellen, naar gelijksoortige situaties van verdeeldheid onder Gods volk: het oude volk Israël en het jonge volk van de christelijke gemeenten.
In de hoop dat Gods Woord het licht zal zijn op ons pad, op onze paden die elkaar vanavond kruisen.
* Bekend is de verwijzing naar Psalm 102, zoals je in de kring van de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk hoort. In dit gebed wordt Gods tijd van genade afgesmeekt over het verwoeste Jeruzalem. HERE, "het is tijd haar genadig te zijn, ... want uw knechten hebben behagen in haar (omgevallen) stenen, zij hebben deernis met haar puin" (vs 15)! Beleven we nu de ballingschap van de kerk, de verwoesting van de eenheid? Die titel gaf Dr. Martin Luther aan een van zijn reformatorische geschriften mee: Over de babylonische gevangenschap van de kerk. De verstrooiing van Gods kinderen kan een oordeel Gods zijn, als zij het in eigen schuld over zich hebben afgeroepen.
* Bekend is ook de lering die gezocht wordt in de scheuring van het ene rijk van Salomo onder Rehabeam en Jerobeam. Daartegen is opgemerkt dat Gods oordeel een staatkundige, maar beslist geen geestelijke deling bedoelde. En toch is dit wel het gevolg geweest. Denk aan het surrogaat van de gouden kalveren die Jerobeam neerzette om zijn tien stammen bij Jeruzalem weg te houden. Gods kinderen werden bij het ene heiligdom én bij elkaar weggehouden.
De dwaasheid in Richteren
Ik wil wat even langer stilstaan bij het boek Richteren. De 12 stammen van Israël hebben het beloofde land van de HERE gekregen. Maar het gevaar van de verwereldlijking bedreigt hen direct. De HERE heeft immers niet alle volken verdreven om zijn volk met de nabijheid van heidenen op de proef te stellen. En ik denk: onze situatie als christenen in een geseculariseerd land is dus zo uniek niet. Het ene heiligdom staat in Silo, de enige -centraal gelegen- plaats waar de tent van de samenkomst, van samenkomst met de HERE zelf is opgezet (Joz. 18:1; 19:51; Richt. 21:12-20; 1 Sam. 1:3; 2:22). Daar is door Jozua de ark ondergebracht. De ark bleef daar gedurende de hele tijd van de richteren. Zo begon het volk eensgezind de samenleving naar Gods wet op te bouwen. Wat heerlijk: zo te mogen beginnen, zonder blokkades naar elkaar toe!
Wat mij bij de lezing van Richteren treft is het tegendeel: nl. hoe gebrek aan eenheid en eensgezindheid tussen de stammen een werkelijk struikelblok werd.
* In hoofdstuk 7 steekt de rivaliteit tussen Efraïm en Manasse (de stammen van de twee zoons van Jozef, van twee broeders!) de kop op. Gideon moet een dreigend conflict bezweren door de minste te zijn.
* In hoofdstuk 12, in Jefta's dagen, is hetzelfde het geval. Alleen loopt het conflict nu wel uit de hand. Een slachting onder broeders is het trieste gevolg.
* In hoofdstuk 18 trekt de stam Dan zich terug in het isolement van eigenwillige godsdienst. "Zij richtten voor zich het gesneden beeld op, dat Micha gemaakt had, en het bleef daar zolang het godshuis in Silo was" (vs 31).
* Tenslotte wordt in hoofdstuk 19-20 de stam Benjamin afgestraft. Op het dulden van een zware zonde bij Benjamin volgt een te harde straf door de broederstammen. Misbruik van een feest voor de HERE in Silo (21:19) moet de schade weer goedmaken.
"In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in eigen ogen", luidt het oordeel waarmee het boek sluit (21:25).
Wijzer op weg
Nee, God zij dank is er in onze dagen wel een 'koning in Israël', onze Here Jezus Christus. De kerkverbanden zijn niet de stammen van Israël, helaas. En wij willen toch niet doen 'wat goed is in eigen ogen'? Of zijn veel blokkades die tussen de kerken liggen, wel een gevolg van doen wat goed is in eígen ogen? Ach, er is geen volstrekte parallel te trekken tussen het Israël toen en de kerken nu. Maar laten we de wijsheid van Gods Woord hierin niet vergeten.
Want 1. het ene heiligdom in Silo functioneerde niet als eenheidsband. Om daar voor de HERE te verschijnen -al was het maar éen keer per jaar- had ongetwijfeld samenbindend kunnen werken. En laten we niet vergeten hoe we in de psalmen en profeten herinnerd worden aan het kerkhistorisch feit dat God, de HERE, zijn heiligdom in Silo prijsggeven heeft aan de verwoesting (Ps. 78:60; Jer. 7:12-14; 26:6-9). Samen de Here God onder ogen komen is het meest samenbindende dat er op aarde is!
Er is nog iets te leren in de rivaliteit tussen de stammen van Israël, Gods ene volk. 2. Het kan onze schuld zijn, wanneer de ander een verkeerde weg op gaat. Namelijk als er een gebrek aan eensgezindheid en luisterbereidheid, aan vergevingsgezindheid en nederigheid was die de ander had kunnen tegenhouden. Opnieuw, de eenheid voor Gods aangezicht (de ark, Gods troon stond in Silo, in de tent der samenkomst) had regionale eenzaamheid en eigenwijsheid én medeschuld daaraan moeten voorkomen.
Ik geloof dat de Here ons vandaag, op het punt waarop wij anno 1994 staan (samen of tegenover elkaar; in elk geval samen voor Gods troon) wil leren onze totale onmacht te beseffen om elkaar te vinden. Groter nederigheid is al geestelijke winst. Ik geloof dat de HERE ons ook wil leren in hoop op Hem onderweg te zijn naar elkaar. Meer van Hem verwachten is ook al winst.
Elkaar zoeken kunnen we alleen in nederigheid, in medeverantwoordelijkheid in de gezamenlijke schuld, in het dulden van elkaars eigenwijsheid en in dankbaarheid voor gevonden geloof.
Zonder contact kunnen de kerken niet geestelijk winnen, niet leren van de ander. Op veilige afstand elkaars boeken lezen is al te makkelijk, ook al is het een begin. Laten we hopend op Gods genade en Geest:
1. langer, dieper zoeken in Gods Woord naar wijsheid;
2. een geloofsgetuigenis aan elkaar presenteren en dat van elkaar aannemen als grond voor ontmoeting;
3. onze krachten gering achten en de hulp van anderen beseffen nodig te hebben in de beproevingen van ons land;
4. en bovenal trachten samen te komen voor Gods aangezicht in gebed en onderwijs.
We roepen niet om een sterke man, een richter. Want we hèbben van God al een antwoord op die roep gekregen: in onze Richter en Verlosser, Jezus Christus, de Here. Laten we ons als discipelen van Hem gedragen en zó weer wegen zoeken om onszelf aan deze Koning als één volk te presenteren (vgl. art. 27 NGB: Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kán zijn). Hij is toch éen Koning? Of zoals de apostel Paulus het zegt: "Is Christus gedeeld?" (1 Cor 1:13).
Die vraag is zo gesteld dat geen ander antwoord mogelijk is dan: Nee toch!
Terug naar overzicht gebedsavond