Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 7 september 2002
prof. H.G.L. Peels
Jozua 1: 1-4
`Opdat zij allen één zijn' - deze woorden staan in ons geheugen gegrift, sinds Jezus ze uitsprak, in de nacht voor zijn sterven. Het hart van een intens diep gebed van de Zoon tot de Vader. Zijn gebed was de drijfveer achter al die gebeden van tien jaar Gereformeerd Appèl. Samen in de naam van Jezus biddend en werkend onderweg naar de eenheid van Gods volk. Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet. Met dat doel voor ogen, is in het afgelopen decennium veel gebeurd, landelijk en plaatselijk, in kerkelijke kaders, maar niet het minst ook in de samenwerking van gereformeerde christenen in sociaal-maatschappelijk en politiek verband. Er is veel om dankbaar voor te zijn. Maar .. de eenheid tussen onze drie kerken lijkt om verschillende oorzaken nog zo ver weg. Komen we er ooit, voordat Jezus komt?
`Komen we er ooit?', zeggen de Israëlieten tegen elkaar. De moed zinkt je toch in de schoenen: Mozes is dood! Nauwelijks voor te stellen. Niemand van de Israëlieten is ouder dan Mozes was. Voordat zij geboren waren, was hij er al. Was hij er voor hen. Wat hebben ze niet met hem meegemaakt, en hij met hen. Zeker, soms ging het hard tegen hard, maar achteraf moesten ze dan toch erkennen dat Mozes in zijn recht stond. Hij had hen Gods weg gewezen. Hij stond zelfs met zijn leven voor hen in de bres, toen het radicaal mis dreigde te gaan. Steeds verder waren ze gekomen, in de richting van het grote doel, van het beloofde land. Dáár zouden ze samen thuiskomen. Maar nu: Mozes dood? Terwijl zijn oog nog niet verduisterd en zijn kracht nog niet geweken was (Dtn. 34:7)! Dertig dagen hebben ze gerouwd, en kon de werkelijkheid tot hen doordringen. In het zicht van de eindstreep Mozes dood.. Komen we er ooit?
En Jozua dan? Hij is de nieuwe man. Zeker, hij mag er wezen, de zoon van Nun, want hij is vol van de geest der wijsheid (Dtn. 34:9). Maar toch, hij is geen Mozes. Want Mozes was in unieke zin de knecht des Heren. Van aangezicht tot aangezicht heeft de HERE hem gekend (Dtn. 34:10). Ook in het boek Jozua wordt Mozes steeds `de knecht des HEREN' genoemd, wat van Jozua slechts één keer wordt gezegd, helemaal aan het slot, bij zíjn dood (Joz. 24:29). Neen, als er één het volk Israël thuis had kunnen brengen, dan wel Mozes. Die geestelijke leider, die middelaar, doorkneed in de omgang met God. Maar hij faalde, ook hij. En als híj het al niet gered heeft, wat komt er dan ooit nog van terecht?
Daar staan ze, Jozua, de Israëlieten. En ze richten het oog op de weg vóór hen. Kijk: de Jordaan, Jericho, land van muren en reuzen. Wat een barrières. Maar dán klinkt Gods stem. En worden ze gedwongen het oog omhoog te richten. Eérst het oog omhoog.. En wat zegt God dan tegen Israël? `Mijn knecht Mozes is gestorven'. Dus: einde verhaal? Als de grote verwachtingen, niet 10 maar 40 jaar lang, onder leiding van zo'n grote geest, níet zijn uitgekomen, is het dan afgelopen? Neen, God maakt van die punt een komma, zíjn weg met zijn volk gaat verder, voorbij ónze onmogelijkheden en barrières.
`Maak u gereed, trek de Jordaan over, naar het land dat Ik u geef. Elke plaats waar uw voetzool komt, geef ik u' - je mag dit ook vertalen met `heb Ik u al gegeven'. De opdracht om verder te gaan, tóch verder te gaan, ligt verankerd in een machtige belofte. In God ligt het vast. Hij laat niet varen de werken van zijn handen, hoezeer zijn volk, zelfs een Mozes, dat werk soms afbreken. Jozua, let op je eigen naam: Jehoshua - God redt.
Wat een eindeloos ontspannend woord: Ik heb het u gegeven. Van de woestijn tot de Zee - noord en oost en zuid en west. `Komen we er ooit?' zegt Israël. Ja - want Híj brengt ons er, Híj `geeft'. Israël trekt niet alléén verder, Hij is erbij. Zó wordt het werkelijkheid. Niet zozeer door een handige politiek, al moeten er wel verspieders worden uitgezonden. Niet zozeer door kracht en geweld, al moet er wel veel strijd worden gevoerd en barrières geslecht. Maar primair en bovenal: door het oog op Hem, die roept en belooft. Luisterend naar zijn opdracht, rustend op zijn belofte.
Zo trekt Gods volk verder, en wij ook. Het is niet moeilijk om deze woorden op onszelf, onze situatie en op ons gebed van vanavond te betrekken. Komen we er ooit? Als je met die vraag om je heen kijkt, dan is er veel dat je moedeloos kan maken. Terwijl we intern verdeeld zijn, raken onze kerken in deze samenleving al meer in zwaar weer, de secularisatie kruipt als vocht door de muren van de kerk alom naar binnen. Er is zorg en aanvechting. Maar als we het oog op Hem richten, die ons roept, die in de nacht voor zijn sterven voor ons bad, gaan we de dingen ook in een ander licht zien. Om getroost en met moed verder te gaan. Niet alleen, maar met Hem. Die meerdere Jozua, ja die meerdere Mozes (Hebr. 3:1-6), die níet faalde: de grote Middelaar. `Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en zie, Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding der wereld'. Rotsvast is zijn belofte: het zal worden één kudde, van noord, oost, zuid en west - onder één Herder.
Zo mogen we deze avond van gebed ontspannen ingaan, met het oog allereerst op Hem, die temidden van onze onmogelijkheden en bezwaren ons roept, en die belooft en dat ook wáármaakt. Hij heeft het eerste en het laatste woord. Daarom beginnen we onze gebeden met de dankzegging. De dankzegging voor wie Hij is, en voor wat Hij doet, ook onder ons, met het oog op Jezus.
Terug naar overzicht gebedsavond