Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 3 september 2005
H. Hoksbergen
Vele leden – één lichaam
Stel je voor, broeders en zusters, ik kom naar één van jullie toe en ik hak bij die persoon een hand en een oor af. Ik pak die hand en dat oor en gooi ze hier in de hal. De betrokkene schreeuwt het uit van pijn en woede. Maar ik probeer het slachtoffer te kalmeren. ,,Stil nou maar, je hand en je oor horen best nog wel bij je lichaam. Het is nu meer een geestelijke eenheid. Je moet gewoon die eenheid ervaren over de lichaamsgrenzen heen.”
Zou de betrokken broeder of zuster hier erg blij van worden? Of zou hij/zij accepteren wat ik doe en zeg? U voelt al wel: we zitten hier middenin het beeld dat Paulus gebruikt in 1 Korintiërs 12. De geheiligden in Christus, om het met Paulus te zeggen, de gelovigen horen bij elkaar zoals de leden van één lichaam bij elkaar horen. En dat beeld houdt Paulus nogal bezig. In verschillende brieven aan de gelovigen in een bepaalde plaats gebruikt hij de vergelijking. In Romeinen bijvoorbeeld: Wij zijn, hoeveel leden ook, één lichaam in Christus. In de eerste brief aan de Korintiërs komt het beeld van het lichaam verschillende keren ter sprake. En ook in Efeziërs gebruikt Paulus het.
Maar mag je deze vergelijking van Paulus nu gebruiken in het kader van de kerkelijke eenheid? Zeker wel. De gelovigen in Korinte en die andere plaatsen kenden de kerkelijke verdeeldheid nog niet. Paulus schrijft ze aan als de gelovigen in een bepaalde plaats. En al die gelovigen vormen een eenheid omdat ze op dezelfde basis staan. Dat komt in Ef. 4 bijvoorbeeld mooi uit: (citaat NBV): één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader… Op zo’n sterke gemeenschappelijke basis, ja, dan moet je wel een eenheid vormen die net zo sterk is als de eenheid tussen lichaamsdelen.
Eenheid over de kerkgrenzen heen? Ach, hoe zou ik op een avond van het Gereformeerd appél kunnen ontkennen dat die er niet is? Maar in het licht van 1 Kor. 12 en van al die andere bijbelgedeelten, zeg ik: het blijft een vreemd verschijnsel. Net zo gek eigenlijk als die eenheid over de lichaamsgrenzen heen.
Het mooie van dat beeld dat in Gods Woord wordt gebruikt is, dat het zo duidelijk is. Moet je zien hoe Paulus het in 1 Kor. 12 ook heel concreet uitwerkt. Het is niet een zweverige gedachte, maar een heel duidelijke vergelijking. Als je je iets duidelijk kunt voorstellen, dan is het wel een lichaam met zijn lichaamsdelen. En zo, als de lichaamsdelen onderling, horen de gelovigen bij elkaar. Paulus spreekt in dat verband niet over een lichaam, maar zelfs over hét lichaam van Christus. Het is zijn lichaam, het is zijn gemeente.
En de samenbindende factor tussen al die mensen, die bij elkaar horen, dat is de Geest. Het is één lichaam en één Geest. Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt. Hoor je hoe hier alle oppervlakkigheid en vrijblijvendheid verdwijnt? Het is maar niet een menselijk bedenksel dat de gelovigen bij elkaar horen. Door één Geest wordt je aan elkaar verbonden. Door de Heilige Geest. De Geest van Christus. Het is zijn lichaam en Hij gebruikt zijn Geest om de delen van dat lichaam bij elkaar te houden. Wie zou zich daartegen verzetten?
Dat betekent niet dat het allemaal koekoek-éénzang et zHet
wordt. Er is diversiteit onder de gelovigen en binnen de gemeente. Die diversiteit kan heel groot zijn. Wat een verschil tussen Jood en Griek, of tussen vrije en slaaf. Kunnen die samen op gaan? Ja zeker, zegt Paulus, want we zijn allemaal van één en dezelfde Geest doordrenkt. En omdat dat zo is, is het ook niet erg dat er verscheidenheid is. De kerk bestaat niet uit een verzameling robots, die via een druk op de knop allemaal op dezelfde manier hun Heer dienen. Maar de kerk bestaat uit mensen die onderling verschillen. Net als lichaamsdelen. Een hand doet en kan niet hetzelfde als een oor. In de gemeente hoeft niet iedereen hetzelfde te kunnen en hetzelfde te weten.
En die diversiteit onder de gelovigen, die zien we vandaag de dag ook maar al te goed. Het is een van de grootste struikelblokken op de weg naar kerkelijke eenheid. Het is een andere diversiteit dan die waar Paulus over spreekt. Maar de vraag is: is deze diversiteit erg? Als je met dezelfde Geest doordrenkt bent. Als je je één weet in Christus, als je elkaar in Hem als broeder en zuster aanspreekt, als je staat op die ene grondslag van Gods Woord… Dan blijft er best nog verscheidenheid. Maar dat is geen reden om niet samen op te trekken.
Ik denk ook even aan de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In de zeventiende eeuw gingen de mannen van de Nadere Reformatie hun eigen accenten leggen. Heel duidelijke accenten. Anderen konden daarin niet meegaan. Maar ze bleven wel bij elkaar. Pas twee eeuwen later kwam er een kerkscheuring, toen voorgangers het onmogelijk werd gemaakt ongehinderd het Woord van de Here te verkondigen en de staat zich met de kerk ging bemoeien. Maar diversiteit, verschillende accenten, een verschil in geloofsbeleving ook – het was geen reden om bij elkaar weg te gaan. Wat een les voor vandaag is dat! Nee, de kerk is niet een instelling waar alles en iedereen kan komen binnenlopen wat zich maar aandient. Een lichaam stoot wezensvreemde lichaamsdelen ook altijd af. Intussen is de kerk wél een gemeenschap, waarin de verschillen tussen gelovige mensen zichtbaar zijn en een plaats mogen hebben.
Het bijbelse beeld van het lichaam mag ons bewaren voor vrijblijvendheid en slapheid in het zoeken van de eenheid. Paulus maakt er veel werk van om uit te leggen dat de lichaamsdelen niet zonder elkaar kunnen. Je kunt niet tegen elkaar zeggen: ach, zonder jou redden we het ook. Je kunt ónmogelijk zeggen: ach, beter in vrede úit elkaar dan met ruzie bíj elkaar. Dat is een dooddoener. Want het is de dood voor de kerk. De kerk is een levende gemeenschap, zo levend als een lichaam. Daar zit beweging in, groei, pijn ook, en boven alles: een geweldige onderlinge band. De kerk als lichaam: dat betekent dat je elkaar gaat zoeken wanneer er géén eenheid is. Dat zoeken naar eenheid zou een natuurlijk drive moeten zijn. Niet omdat wij van het Gereformeerd Appél dat zo leuk vinden, maar omdat het op een bijbelse manier eigen is aan gelovigen: opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn.
Daarom moeten we ook niet verzachtend spreken over deze dingen. Zo van: tja, dat is nu eenmaal de natuurlijke gebrokenheid waarin we als zondige mensen leven. Dat is onze onmacht waar we niks aan kunnen doen. Nee!, het is geen onmácht, het is ongehóórzaamheid. Niet de eenheid vormen als de Here dat vraagt, dat is ongehoorzaamheid. En ongehoorzaamheid tegenover God, daar hebben we ook een ander woord voor: zonde. En wanneer mensen een bepaalde zonde maar laten voortduren, willens en wetens, dan hebben we daar ook een uitdrukking voor: blijven liggen in de zonde.
We hebben net dat mooie lied 320 gezongen. ,,God wil aan ons telkens weer tonen dat Hij genadig is en trouw. Dat Hij met ons samen wil wonen, geeft ons de moed voor dit gebouw.” Zo is het. Dat Hij met ons samen wil wonen, dát geeft ons de moed. Hij toont zijn trouw aan mensen die het van Hem verwachten. En daarom gaan we rustig verder. Op de weg die Hij ons wijst. Vastberaden. En tegelijk afhankelijk van Hem.
Terug naar overzicht gebedsavond