Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 3 september 2005
J.W. Maris n.a.v.
'Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.' (Kol. 1:18)
Eén Hoofd – één lichaam
Als iemand je vraagt bij welke kerk je hoort, ontstaat er soms een gesprek waarin heel wat uit te leggen is.
‘Ik ben christelijk gereformeerd’, ‘ik ben gereformeerd vrijgemaakt’, ‘ik ben nederlands gereformeerd’ – de opsomming is niet uitputtend - staat voor een nogal gecompliceerde realiteit. We hoeven elkaar wat dat betreft niet te overtuigen. De vraag naar de identiteit van de kerk is een moeilijke vraag geworden.
In Gods Woord komen we zeker de nodige schakeringen tegen als het portret van de kerk wordt getekend. De eigenlijke identiteit van de kerk wordt op verschillende plaatsen echter heel pertinent aangeduid met het beeld van het lichaam en het Hoofd. Dat lazen we in Kolossenzen 1. Op indrukwekkende wijze tekent Paulus daar de betekenis van Christus. Hij is de eerstgeborene van heel de schepping. Hij heeft immers de allerhoogste prioriteit. Hij hoort bij de onzichtbare God, de almachtige, niet bij het vergankelijke schepsel. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem. En zó wordt van de Here Jezus gezegd, dat Hij het hoofd is van het lichaam, de kerk.
Maar dat heeft consequenties voor het antwoord op die vraag naar de kerk waar je lid van bent. Want wat is meer bepalend voor iemands identiteit dan het hoofd? Het hoofd beslaat ongeveer een vijfde van de lengte van het menselijk lichaam. Op uw paspoort of rijbewijs is de foto van het hoofd echter geheel afdoende, ja beslissend, om vast te leggen wie u bent.
Over de identiteit van de kerk – en ook van de leden van de kerk - is het wezenlijke niet te zeggen als dan niet gesproken wordt over Jezus Christus.
Het lichaam heeft geen identiteit dan alleen wat afgeleid is van het Hoofd. In deze zelfde brief wordt dat heel indringend aan de orde gesteld. Het gaat over de eenheid van lichaam en Hoofd (Kol. 2:10), over samen met Christus begraven zijn en opgewekt door de kwijtschelding van onze zonden (Kol. 2:12-13).
Op deze basis wordt over de kerk gesproken in het enkelvoud. Natuurlijk weet het NT van een diversiteit aan gemeenten op diverse plaatsen, maar daar doorheen is er de grote realiteit van het ene Hoofd, en daarom van het ene lichaam. De diepste dingen die over de kerk zijn te zeggen, slaan op de kerk in het enkelvoud. Hét lichaam van Christus, hét volk van God, dé tempel van de Heilige Geest. De plaats waar God woont door zijn Geest (Ef. 2:22).
Natuurlijk is daar dan een probleem als we proberen de kerk te identificeren waarvan wij lid zijn, hopelijk een levend lid. Dan is er immers ineens het meervoud. Je kunt zelfs veranderen van kerk…
Het is vandaag niet de bedoeling dat probleem uit de wereld te helpen door een formule te bedenken die maakt dat ieder weer in vrede naar zijn eigen huis en zijn eigen kerk kan gaan, meervoud. Ik wil slechts aanduiden, dat we vanuit de diepe werkelijkheid van onze Here Jezus Christus, in wie het meest wezenlijke geheim van de kerk gelegen is, de onmogelijkheid van de kerkelijke gebrokenheid moeten beseffen.
Dat daarbij ook de gesprekken tussen kerkgemeenschappen in beeld zijn, en de verscheidenheden in geschiedenis en cultuur en taalgebruik, waardoor het soms het gemakkelijkst is om de kerken in meervoud vooral te laten wat ze zijn, dat zal alleen vanuit de Here Jezus Christus kunnen worden benaderd. En dan kan iemand die zich het eigendom van Jezus Christus weet daar toch geen vrede mee hebben.
Laat duidelijk zijn, ik spreek hier als iemand die actief en intensief bij zulke gesprekken betrokken is, in opdracht van een generale synode, en ik ben er heilig van overtuigd dat het ook moet. Maar het gevaar is niet denkbeeldig, dat commissies en deputaatschappen doende zijn met ernstige overtuigingen, die er evenwel op neerkomen dat vanuit een soort territoriumdrift ieder de wacht betrekt bij ‘onze eigen identiteit’, en dat het extra moeilijk is op dat moment te beleven dat ons Hoofd maar één lichaam heeft.
Dáár zit toch de sleutel tot de weg die gezocht moet worden. Ik zeg niet dat niemand daar van weet. Integendeel, we weten het natuurlijk allemaal. Echter – hoe nodig hebben we het om radicaal kerk te zijn op grond van wat niet van onszelf is.
Twee dingen horen we dan te beseffen en te beleven.
In de eerste plaats dat wat gezegd wordt over de kerk in de termen van lichaam en hoofd niet kan functioneren als een vanzelfsprekendheid. Het Hoofd behoort bij het lichaam, zeker. Maar niet als ons bezit. Er is ook het tegenover van Christus ten opzichte van zijn lichaam. Er is het tegenover van zijn Woord en van de Geest die Hij van de Vader in de gemeente doet wonen. In de kerk zullen we moeten weten van diepe gehoorzaamheid aan Hem; een diep verlangen niet te leven van wat in ons menselijke en kerkelijk gang allemaal ontwikkeld is, maar van het offer van onze Heiland op Golgota, en van de genade die Hij als de verhoogde Heer uitdeelt, en van de tucht van zijn Woord en Geest, die ons vermaant, en leidt, en troost.
Kerk zijn in ootmoed, in schuldbesef, in onderworpenheid aan ons Hoofd.
En daar hoort in de tweede plaats het gebed bij als sleutel tot de weg. Daarom heeft de beweging van het gereformeerd appel mij altijd zo aangesproken. Geen actiegroep, geen beweging van onderop, die voorloper zal zijn tot beschaming van de kerkelijke organen, maar een beweging die bij het begin begint. Bij Hem die het Hoofd is.
We zijn vanavond samen voor gebed, en lofprijzing, voor gemeenschappelijke afstemming op onze Here Jezus Christus. De kerk is niet van ons, maar van Hem. Er kunnen geen roergangers en beleidsmakers in de kerk zijn die ontwikkelen wat de kerk nodig heeft. Er kunnen mensen zijn met bepaalde taken, zeker. Dat is ook eigen aan de kerk: het lichaam met de vele leden. Maar als het niet vanuit het diepe besef is van onze identiteit in de persoon van onze levende Heiland, dan is het alles krachteloos en vergeefs.
De mensen met bepaalde taken zullen ook bidders moeten zijn. En de kerk zal vele bidders meer moeten kennen.
Dan alleen gebeurt het dat we van verschillende denominaties - wat een vreselijk woord! ‘gemeenschappen’ liever - elkaar mogen herkennen in het aangezicht van Christus. Dat we niet in de eerste plaats verlangen naar het voldoen aan de wensen van welke achterban dan ook, maar dat we alle achterbannen voorgaan in het zoeken van het aangezicht van de Vader en van de Zoon, in de Geest. Opdat Hij ons vanuit het Hoofd zal regeren met de liefde en de genade en de wijsheid die bij hem passen.
Dan mogen we groeien – in de eerste plaats naar Hem toe die het Hoofd is. Vanuit dat Hoofd krijgt het lichaam samenhang, zegt Paulus aan de Efeziërs (Ef. 4:15-16).
Zo herkennen we ook de volgorde: Eén Hoofd – één lichaam.
Ogen open daarom voor Hem! Wat hebben we meer nodig?
Gaan dan niet de perspectieven open van het wegvallen van het onderscheid – zoals Kolossenzen 3:11 zegt - ‘tussen Grieken en Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen’? En wat is er het geheim van? Dat is Paulus’ toevoeging aan dat woord: ‘maar dan is Christus alles in allen’.
Daarom zijn we hier voor gebed. Bij Hem moeten we zijn – ons Hoofd.
Terug naar overzicht gebedsavond