Meditatie op gebedssamenkomst

Veenendaal, 4 september 1999
ds. H.J. Messelink n.a.v. Leviticus 16: 7-17

Het is wonderlijk: God wil wonen midden onder zijn volk. Dat is zijn verlangen. Maar eigenlijk kan het niet. Waarom niet? Omdat Hij een heilig God is en zijn volk een zondig volk. Heel kernachtig wordt dat samengevat in Leviticus 16:16: dat God woont te midden van de onreinheden van Israël. Dat is in feite een innerlijke tegenstrijdigheid. Dat vloekt met elkaar: God en onreinheid. Die twee hebben niets met elkaar van doen. Bij God passen woorden als: heerlijk, heilig, zuiver, puur. God heeft deze wereld geschapen om Zichzelf. Om Zich een naam te maken. En het enige wat scheiding brengt tussen die God en ons zijn onze gedragingen, onze onreinheden. Ook Gods eigen volk was hardleers, eigenwijs, gebrekkig, zovaak onbetrouwbaar. Daarom waren er tal van maatregelen nodig om dit samenleven van God en zijn volk mogelijk te maken. God moest zijn volk heel precies leren hoe het met Hem kon omgaan zonder onder te gaan. Op de Grote Verzoendag vonden vele rituelen plaats. Het samen-wonen van God en zijn volk sprak niet vanzelf. Het boek Leviticus legt van het begin tot het eind daar getuigenis van af.
Vandaag wil God niet alleen onder ons wonen maar zelfs in ons. Jezus Christus heeft dat mogelijk gemaakt door zelf zijn tenten onder ons op te slaan. Wij mogen nu zelf gezamenlijk en persoonlijk een tempel van God zijn: onverklaarbaar bewoond. Maar ook nu spreekt dat helemaal niet vanzelf. Het blijft een wonder dat God en wij tegelijk op één plaats kunnen zijn. Het verzoenend werk van de Here Jezus is daarvoor onmisbaar. Hij is met zijn offer de hemel binnen gegaan en toont dat steeds aan zijn Vader. Hij bidt ook voortdurend voor ons. Dat is nodig. Anders zou de omgang tussen God en ons geen ogenblik voortgezet kunnen worden.
Dit maakt ons klein. Onze zonden maken blijkbaar nog steeds scheiding. Tussen God en ons en tussen ons onderling. De gemeenschap is een bedreigde gemeenschap. We hebben alle reden ons te verootmoedigen en schuld te belijden. En we moeten elke dag een beroep doen op het volmaakte offer van onze Heiland.



De toegang tot God geopend
Lezen: Lukas 23 : 33-43

Een van de wonderlijke dingen in het kruisverhaal van de Here Jezus is zijn volstrekte gerichtheid op anderen. Op een moment dat je zou verwachten: nu zal Hij toch wel vooral met Zichzelf bezig zijn, kijkt Hij nog haarscherp om Zich heen. Hij is Zich volkomen bewust wat er gebeurt. En Hij is dat ALS Middelaar, als Verlosser. Hij weet: Ik hang hier niet voor Mezelf. Ik hang hier voor die mensen die Mij kruisigen, voor de Joodse leiders, voor het volk, voor de soldaten, voor de misdadigers naast Mij. En ik wil dat. Ik wil mijn leven geven voor zondaren. Ik wil straks met een enorme stoet volgelingen thuis komen bij mijn Vader. Dat is mijn hartstocht. Mijn grote verlangen.
Zo was de Here Jezus bezig ook toen zijn leven naar de diepste duisternis ging, die van de Godverlatenheid. Hij wilde alles wel ondergaan, om maar voor zondige mensen de poort naar het paradijs te kunnen openen. We letten even op twee momenten op deze weg.
Het eerste is het moment waarop Christus wordt gekruisigd. Voor de soldaten een routineklus. Ze hadden maar drie lange spijkers nodig. En ze zien Jezus als een misdadiger. Een van de drie boeven die vandaag geëxecuteerd worden. Meer niet.
Maar dan opent Jezus zijn mond. Terwijl Hem de spijkers door de polsen geslagen zijn en zijn doodsstrijd begint, spreekt Hij en zet Hij zo de hele situatie in een ander licht. Hij lijkt het te verliezen, als een Machteloze. Maar de mensen weten niet wat ze doen. Ze weten niet Wie ze hier kruisigen. Men vergrijpt zich aan de Zoon van God. Men denkt met slechts een broos en bespottelijk persoon te maken te hebben. En dat is een dodelijke vergissing, als God dit niet vergeeft.
En dan bidt Hij voor hen. Hij bidt publiek dat God het hun zal vergeven. Hij vraagt om gratie. Waarom? Omdat Hij ook hun een kans wil geven. Om tot berouw en bekering te komen. Om alsnog tot inzicht te komen. Hij wil zelfs de mensen die Hem kruisigen meenemen naar zijn Vader: Vader, straf ze niet, maar vergeef ze want ook voor hun zonden hang Ik hier. En zo opent Hij een weg, naar de Vader.

Het tweede moment, even later. Jezus is aan het kruis het voorwerp van spot. Soldaten spotten, oversten honen. Een van de gehangen misdadigers doet mee en lastert Jezus. En Jezus zwijgt! Ze weten niet wat ze doen. Voor hen had Jezus gebeden. Maar dan is er die ene boef die zich distantieert van de ander. Hij bestraft hem: vrees zelfs jij God niet? Nu je zo vlak voor de dood staat? En wij worden terecht gestraft, maar deze man tussen ons in, Hij is onschuldig! Dat is opvallend: te midden van alle smaad en spot wordt Jezus onschuldig verklaard.
De kern van het evangelie in één zin: Ik ben slecht, Jezus is goed. Ik heb gefaald, Jezus niet. Ik verdien te sterven, Jezus verdient te leven. En de boef gaat nog een stapje verder: hij erkent Jezus als Messias: denk aan mij, Heer, als U in uw Koninkrijk komt! Deze zondaar ziet dat Jezus Koning is, een stervende Koning. En dan raakt hij bij Jezus een gevoelige snaar.
Want Jezus ziet: deze man beseft als enige hier dat mijn sterven een doortocht is naar Gods paradijs. En het is toch Jezus' verlangen om zoveel mogelijk mensen mee te nemen naar dat paradijs. Je hoeft er alleen maar voor te geloven. De ogen van Jezus en de boef ontmoeten elkaar. Wat Jezus is een mens naakte mens. Letterlijk en figuurlijk. Hij kan zich nergens verbergen. De man heeft zijn leven verspild. Welk recht heeft hij om aan Jezus een gunst te vragen? Ik zal het zeggen: hetzelfde recht als u en ik hebben. Wij zijn het die vragen: ondanks alles wat ik gedaan heb, ondanks alles wat U ziet, wilt U alstUblieft aan me denken? Maar als je dat bidt, als de boef aan het kruis zo smeekt, krijgt hij direct antwoord. Onmiddellijk gaat dan de hemel open: heden nog zul je met Mij in het paradijs zijn. Hier komt Jezus diepste bedoeling aan het licht: zondige mensen voor eeuwig redden. De eerste buit neemt Hij zometeen mee naar de Vader.
Dat te weten geeft ons moed op deze dag. We bidden, we verootmoedigen ons. Maar we hebben een machtige Koning. Een die de dood achter Zich heeft en in het paradijs is en vandaaruit in onze wereld werkt om zoveel mogelijk mensen mee te krijgen in dat paradijs. Prijs de Heer, de weg is open, naar de Vader, naar het paradijs. En straks zal er een schare staan die niemand tellen kan, al Gods kinderen bijeen, de verenigde naties.
Met het oog daarop bidden we vandaag en dus is ons bidden niet vergeefs.
Jezus staat er helemaal achter.
Met zijn lijden en opstanding.
Dus mag ons bidden verhoring ontvangen.
Niet om ons.
Maar om Jezus.
In Jezus'naam.


Terug naar overzicht gebedsavond