Meditatie op gebedssamenkomst
5 september 1998
ds H.C. Mijnders
1 Corinthiërs 1:4-9
Opvallend: Paulus begint bijna al zijn brieven met de vermelding van zijn gebed en zeker ook van zijn dankzegging voor de gemeenten! Misschien is dat wel het belangrijkste wat we vanavond tegen elkaar te zeggen hebben. Je moet daar telkens weer aan herinnerd worden. Ds. Veldkamp schreef in zijn boekje Beslagen vensters: ‘De stand van het kerkelijk leven wordt uitsluitend bepaald door de stand van het gebedsleven’.
Veel belangrijker dan dat we elkaar wat willen zeggen is dat we samen tot de Here willen gaan. Ik moest denken aan het woord van Jezus: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in het midden’. Welnu, in heel bijzondere zin zijn we vanavond met zijn drieën vergaderd in de naam van Jezus. En dan zegt Jezus ook nog dat als we eenparig bidden, we verhoord zullen worden. Laten we in dat besef samen bidden.
En dan bidden, verbonden met dankzegging. Is er dan wat om te danken? De samensprekingen en contacten lopen toch helemaal niet zo goed? We lazen in 1 Corinthiërs 1:4-9 Paulus' dankzegging voor Corinthe. Wat was er ook toen en daar veel mis! Paulus schrijft in deze brief over hoererij die zelfs onder heidenen niet voorkomt (5:1), over onderlinge geschillen waarmee men naar de wereldlijke rechter stapt (6:1), over liefdeloze praktijken juist rond het avondmaal (11:21) en ook dat sommigen in die kerk de opstanding der doden loochenen (15:12). En bij dat alles noemt Paulus de onderlinge verdeeldheid. En dat noemt hij als eerste, en als belangrijkste, grootste, nijpendste misstand. Er zijn aanhangers van Paulus, van Petrus, van Apollos en van Christus. "Is Christus dan gedeeld?", schrijft Paulus. Hoofdstuk 1, 2 en 3 gaan over dit thema en Paulus brengt het rechtstreeks in verband met het evangelie als een woord des kruises, dat een holle klank wordt als mensen daar ook maar een beetje eer mee willen inleggen. De eendracht in de kerk is één van de beste toetsstenen voor het leven uit de genade.
En toch schrijft Paulus dat hij te allen tijde God dankt over Corinthe. Waarom dan? Omdat er al kleine vormen van toenadering zijn tussen de aanhangers van Paulus en van Céfas en van Apollos? Omdat er al een hoopvol begin gemaakt is met het aanpakken van enkele misstanden in de kerk van Corinthe? Nee, daarover schrijft Paulus niets. De misstanden en de zonden zijn er. Paulus tekent ze, en doet geen enkele moeite ze mooier te maken dan ze zijn. En toch dankt hij, zelfs te allen tijde! Is Paulus soms een soort antieke positivo?
Paulus dankt voor twee dingen, die eigenlijk één zijn: de genade van God en de trouw van God!
De genade. Zie vs 4: de genade die u in Christus geschonken is. Het is vanwege de overweldigende realiteit van de genade dat Paulus aan deze gemeente kan schrijven zoals hij schrijft. Het lijkt misschien of Paulus maar kort schrijft over die genade en heel uitgebreid over al die misstanden. Die indruk zet ons op het verkeerde been. AIs voor Paulus die genade van God niet een allesbeheersende realiteit was zou hij aan het schrijven van deze brief niet eens begonnen zijn. Paulus hoeft de gemeente -om Christus' wil- niet ongenadig de waarheid te zeggen. Paulus schrijft kritisch, maar hier hebben we nu te maken met werkelijk opbouwende kritiek. En dat komt door het hechte fundament dat er ligt: Jezus Christus. Daarom hoeft Paulus niet te schrijven: stop maar met avondmaal vieren, al schrijft hij wel: het moet radicaal anders bij jullie vieringen. Daarom denkt Paulus er niet aan te schrijven: stop maar met het kerkenwerk, maar schrijft hij integendeel: "Wees maar overvloedig in het werk des Heren, want in de Here mag je weten dat je dat niet tevergeefs doet!"
En dan de trouw van God: vs 8: "Hij zal u ook bevestigen ten einde toe", en vs 9: "God is getrouw". Gods werk gaat door. AIs menselijk verzet, als menselijke dwalingen en zwakheden en zonden zouden betekenen dat God zijn werk zou stopzetten, zou elk kerkenwerk bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn. AIs Christus zijn gemeente bouwt, betekent dat dat Hij menselijke weerstand door zijn genade overwint, dat hij vijanden wint voor zijn zaak. Daar is Hij tot op vandaag onder ons mee bezig. En ieder die zijn eigen hart wat heeft Ieren kennen vestigt daar al zijn hoop op! Paulus signaleert in Corinthe de symptomen van die weerstand en van die vijandschap. En toch is voor Paulus deze kerk ten volle een gemeente van Christus, omdat hij weet dat de Here doorgaat met zijn werk, met het overwinnen van het kwade door het goede van zijn liefde en genade.
Kerkenwerk hier op aarde is altijd een mengsel van het werk des Heren en het menselijke, al te menselijke, falend menselijke van Gods kinderen die ook zijn medearbeiders mogen zijn. De verschilpunten die bij samensprekingen aan de dag komen, moeten wel te maken hebben met dat menselijke, beperkte waarin onder ons het werk des Heren is verborgen: met nog aanwezig gereformeerd vrijgemaakt verzet tegen het volle licht, met overblijfselen van Nederlands gereformeerde weerstand tegen het volle heil en met weerbarstige resten van christelijke gereformeerde vijandschap tegen de genade. De enige basis voor hartelijke samenwerking tussen deze kerken en christenen kan gelegen zijn in de dingen waar Paulus hier voor dankt: de genade en de trouw van God, waarop alle drie deze kerken van uur tot uur volstrekt zijn aangewezen. Laten we samen danken voor die genade en die trouw!
Mattheus 28:16-20
Voordat we samen overgaan tot een moment van voorbede, wil ik u er graag bij bepalen dat Jezus de levende Heer is, die bezig is zijn kerk te bouwen. We hebben in Mattheus 28 gelezen dat Jezus zegt: "Maakt alle volken tot mijn discipelen". Dat is een gigantische opdracht. Die discipelen wisten nog niet eens hoe groot de wereld was. En wat zijn het helemaal voor discipelen? Het laatste woord dat in dit evangelie over hen staat geschreven is (na alles wat ze hebben meegemaakt): sommigen twijfelen. Zeker, er staat ook bij: ze aanbidden. Daar heb je weer dat mengsel van Gods werk en het menselijke.
Deze discipelen, deze kerk heeft Jezus gebruikt als instrument voor zijn Rijk. En wij mogen vandaag beleven dat de einden der aarde in het vizier komen. Dit woord dat Jezus hier sprak tot elf eenvoudige discipelen heeft Hij waar gemaakt.
De discipelen zijn op weg gegaan. Misschien wel geholpen door het feit dat ook hun en onze psalmen zingen, zeg maar gerust juichen: "Alle volken zullen komen en zich voor u nederbuigen, o Here" (Psalm 86). Wat een groot geloof spreekt er uit die oude psalmen.
Toen kende nog maar één (onooglijk klein) volk de Here, en toch zeggen die psalmen al: dient de Here gij ganse aarde! Wat een voorrecht dat we niet alleen maar hoeven te geloven, maar dat ons geloof ook bevestigd wordt door wat de Here doet. Zoals het waarmaken van deze woorden! Onder alle volkeren buigen zich vandaag mensen neer voor de Here, onder alle volkeren zijn discipelen van de Here Jezus. De Here Jezus is de Levende. Hij is bezig zijn Rijk te vestigen. In Korea is sinds de Tweede Wereldoorlog de kerk verveertig(!)voudigd. En Patric Johnstone heeft onlangs becijferd dat nu twee miljard mensen in deze wereld Jezus belijdt: 1/3 deel van de wereldbevolking.
Nee, we zijn er nog niet. Er wordt nog hard gewerkt aan vele bijbelvertalingen. En in Nederland wachten we vurig op tijden van overvloediger genade. En dit woord spreekt, als je het letterlijk neemt, niet van mensen uit de volken, maar van álle volken, zonder restrictie. We zien nog uit naar heel veel!
Wat ik nu u graag wil zeggen is: we hebben een levende Heer. Zijn plannen falen niet. Hij heeft zijn bestek met wijsheid uitgemeten. Hij heeft zijn zaak onder controle. Aan Hem leggen we onze zaak voor. Of nee, het is zijn zaak. We aanbidden Hem, die ons verzekerd heeft met ons te zijn alle dagen. En we smeken Hem dat ook onze kleine kerken instrument mogen zijn voor de glorie van God en het welzijn van onze naaste, kortom: voor de komst van het Rijk!
Terug naar overzicht gebedsavond