Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 4 oktober 2004
Ds. Machiel Oppenhuizen n.av. Romeinen 15 vers 14
Het thema van deze gebedssamenkomst is ‘Christus maakt heel’. Hij geneest de pijn, het verdriet, Hij helpt verder wie zich aan Hem toevertrouwt. In dit gedeelte van onze samenkomst wil ik graag iets laten zien van wat dat dan betekent, welke gevolgen Christus’ heelmaken heeft en ik doe dat aan de hand van een opmerkelijk vers uit Romeinen 15, vers 14 ‘Ik heb echter, mijn broeders, zelf al de overtuiging van u, dat gij zelf reeds vol goedheid zijt, vervuld met al de kennis, in staat ook elkaar terecht te wijzen.’
In deze brief aan de gemeente van Rome heeft Paulus, met name vanaf hoofdstuk 12, geschreven over hoe je in de gemeente van Christus met elkaar omgaat. Er waren twee groepen in de gemeente, Paulus noemt hen sterken en zwakken, en die dreigden tegenover elkaar komen te staan. In plaats van een samen optrekken dreigde er een elkaar veroordelen en daardoor afstand van elkaar nemen. Paulus schrijft dan dat dat in Christus’ gemeente niet past en hij geeft als samenvattende leidraad voor het omgaan met elkaar in hoofdstuk 15 vers 7 Aanvaardt elkaar, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.
Aansluitend aan dit onderwijs schrijft Paulus dan vers 14. Het is een geweldig compliment aan de gemeente in Rome. Paulus geeft namelijk te kennen dat hij er vast van overtuigd is dat de gemeente ‘vol van goedheid’ is. Dat wil zeggen: ze is inschikkelijk, ze is van harte bereid om de vermaningen, het onderwijs met name over die onderlinge omgang, ter harte te nemen. Hij weet, dat ze ook ‘vervuld is met al de kennis’. Dat wil zeggen: wat Paulus schreef, met name over die onderlinge omgang, was in zekere zin geen nieuws voor hen; het ‘klikte’, ze herkenden het als een woord van God, het sloot aan op wat ze al van en over God hadden geleerd. En tenslotte: de gemeente is ‘in staat elkaar terecht te wijzen’. Dat wil zeggen: wat Paulus van hoofdstuk 12 deed – de gemeente de goede, heilzame weg wijzen – is niet alleen iets wat hij kan, maar dat kunnen ze als broeders en zusters van elkaar onderling ook; zoals Paulus hen helpt door deze brief, zo kunnen ze elkaar helpen – om het door God gestelde doel te bereiken.
Het is een compliment aan de gemeente waarvan die gemeente haast verlegen zou kunnen worden. En het roept de vraag op, of dit nu alleen iets is voor de gemeente van Rome, of zij in die zin uniek is, of dat het ook van de gemeenten, van de kerken, ‘onze’ kerken in 2004 gezegd kan worden. Zijn wij inschikkelijk, vervuld van kennis, instaat elkaar terecht te wijzen?
Het antwoord op de vraag is afhankelijk van wat we zien als de reden voor Paulus’ compliment. Hoe kómt hij ertoe om dit te zeggen?
Sommigen zeggen: het is zijn bescheidenheid. Dat kan inderdaad meespelen. Bij Paulus herken je in zijn brieven twee dingen: aan de ene kant is hij zich ervan bewust dat hij een geroepen apostel van Jezus Christus is en dat de genade van God krachtig in hem werkt, hij weet dat hij van betekenis is voor het Koninkrijk van God; aan de andere kant wil hij niet over de gemeenten heersen, hij wil hen als apostel juist díenen. Misschien speelt dat in dit vers ook wel mee, maar dat is het niet alleen.
Anderen zeggen: het is uit politieke motieven, het heeft met Paulus’ handigheid te maken, in die zin, dat hij ook wel weet dat je vliegen beter vangt met stroop dan met azijn. Bovendien, hij wil graag dat de gemeente hem voorthelpt op zijn reis naar Spanje en hij wil dat voor zichzelf niet onmogelijk maken. Hij ‘lijmt’ de gemeente. Maar wat mij betreft – ik geloof niet dat dat meespeelt.
Weer anderen zeggen: Paulus heeft hier een wat al te rooskleurig beeld van de gemeente; hij gaat uit van een optimistisch mensbeeld. Maar dat zal het zeker niet zijn. Paulus sluit de ogen niet voor onze verdorvenheid, lees maar wat hij schrijft in hoofdstuk 3:11vv over álle mensen.
Het heeft met iets anders te maken, met wat voorafgaat aan Romeinen 12, met name de hoofdstukken 3 tot en met 8. Daar schrijft Paulus over de rechtvaardiging door het geloof, dat God een ieder die in Christus gelooft vrijspreekt van elke schuld. En ook over het gevolg van die rechtvaardiging, vergeving: dat de Geest je hoe langer hoe meer vervult en dat Hij je doet leven als een nieuwe mens. Van nature slechte mensen die van God niet willen weten, die Hem niet kénnen en die elkaar liever afbreken dan opbouwen, worden door Gods genade, door de Geest inschikkelijke, wijze, vriendelijke mensen die er zijn voor God en voor elkaar. De reden voor Paulus’ compliment aan de gemeente is Gods werk in haar.
Met andere woorden: Christus’ heelmaken heeft tot gevolg dat we andere mensen worden. Nieuwe mensen die openstaan voor God en voor elkaar. Wanneer Hij geneest worden egoïstische mensen mensen die willen geven en ontvangen, die zich hoe langer hoe meer gedragen als navolgers van God. Het compliment aan Rome mag ons bemoedigen.
Laten we daarom straks danken voor de komst van Christus en de uitstorting van de Heilige Geest, voor de trouw van God door de eeuwen heen – wat Hij toen deed wil Hij nu ook doen.
Laten we danken voor wat God de jaren door in en door de kerken heeft gedaan.
Laten we dankzij Gods genade ook verwachtingsvol met elkaar omgaan. Niet, dat we veel van elkáár verwachten, maar wel van Gód in ons. Laten we ons erin trainen om te denken zoals Paulus dat deed, die geloofde dat wie in Christus is een nieuwe schepping is (2 Cor. 5:16,17), dat God het goede werk zal voortzetten tot de dag van Christus (Fil. 1:6) en dat God die roept getrouw is (1 Thess. 5:23,24).
Laten we daar ook om vragen: dat wij zelf zo’n houding hebben en dat dat in de kerken ook steeds meer gebeurt. Niet allereerst en steeds weer kijken naar wat de ander míst of waarin de ander tekort komt, maar wat de ander heeft mogen ontvangen en waar jij de ander mee kunt verrijken. Zeker, teleurstelling zal niet uitblijven; maar… Gods voortdurende bemoediging evenmin!
Terug naar overzicht gebedsavond