Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, 6 september 2008
ds. G. van Roekel

Ontkroonden bij de troon

Klaagliederen 5: 16-22 (NBG 1951):

“De kroon van ons hoofd is gevallen, wee ons, dat wij gezondigd hebben!
Hierom is ons hart ziek, hierom zijn onze ogen verduisterd: om de berg Sion, die woest ligt, waarop de vossen ronddolen. Gij, HERE, zetelt tot in eeuwigheid, uw troon staat van geslacht tot geslacht. Waarom zoudt Gij ons voor altoos vergeten, ons verlaten tot in lengte van dagen? Breng ons, HERE, tot U weder, dan zullen wij wederkeren. Vernieuw onze dagen gelijk van ouds! Of zoudt Gij ons geheel en al verwerpen? Zoudt Gij al te zwaar tegen ons toornen?”

We hebben het laatste stukje van het boek“Klaagliederen” gelezen. Dat doet niet veel
goeds verwachten. Het zal wel een sombere overdenking worden. En dat is ook wel een
beetje zo. Je kunt niet alleen over Sion toen, en over de toestand van de kerk van de Here Jezus in het algemeen nu, maar ook over de contacten tussen onze concrete kerken gemakkelijk een boek vol Klaagliederen schrijven.

Nou wil ik echt niet alleen maar negatief zijn. Ik ben zelf 18 jaar lid geweest van de Ned.Geref. Commissie voor Contact en Samenspreking. Overheersend daarbij is achteraf wel het gevoel van: een tekort aan geloof en durf, en een teveel aan angst en gemillimeter. Maar ik herinner me ook heel mooie momenten van eerlijkheid en openheid, van herkenning en kwetsbaarheid, van dankbaarheid en hoop. En ook plaatselijk
gebeuren er, ondanks alles, telkens weer mooie, verrassende dingen.
Maar ik ben in de loop van de jaren toch wel steeds meer bepaald bij de menselijke kant van de kerkelijke contacten.
Niet alleen bij kerkscheuringen komt erg veel menselijks om de hoek kijken, maar ook bij de pogingen om elkaar weer te vinden. En ik pleit daarom voor grondig onderzoek. Niet
alleen van de ander, maar eerst en bovenal van onszelf.

Bij alle geloof en goede bedoelingen: welke rol speel ik zelf, met mijn zwakheid en mijn zondigheid en eenzijdigheid. Het is toch heel vreemd dat we op een gegeven moment “ja, maar”
tegen elkaar zeggen, en dat het binnen de kortste keren toch weer wordt : “nee, tenzij”. Is dat uit geloof? Of uit angst? En nog een paar vragen: Hoeveel schuld durven we ruiterlijk te erkennen? En hoeveel ruimte durven we elkaar in vertrouwen te geven?
Ja, ik heb bewust uit “Klaagliederen” gelezen. “De kroon van ons hoofd is gevallen, wee ons, dat we gezondigd hebben!”.
Het gaat vanavond dus over de troon van God, over zijn koninklijke presentie. Maar onszelf is, in de loop van de kerkgeschiedenis, de kroon van het hoofd gevallen. “Wee ons, dat we gezondigd hebben!”. De situatie waar we inzitten, het is geen noodlot, maar we hebben het er zelf naar gemaakt. We klagen en bidden hier vanavond daarom niet alleen over de situatie, en over de ander, we klagen en bidden hier vanavond vooral over onszelf. De situatie van de kerken in Nederland kan je hart ziek maken en je ogen van tranen verduisteren, maar helder is: dat we zelf medeschuldig zijn. En wil er ooit iets goeds ontstaan tussen onze kerken, dan is daar voor nodig: ingrijpen van God, en bekering, niet van de ander, maar van onszelf.

Daar bid ik dan ook steeds meer om. Ja, ook om een goede vergadering, en nóg een goede vergadering, en nog heel veel goede vergaderingen, tot “in lengte van dagen” (zie vers 20). Maar vooral om een ingrijpen van God, en om bekering.

Het boek “Klaagliederen” eindigt met een indringend gebed. Klagen is te weinig, er moet gebeden worden. Nederig gebeden bij de troon van God.“Gij. HERE, zetelt tot in eeuwigheid, uw troon staat van geslacht tot geslacht”. Terwijl Jeruzalem in puin ligt en de tempelberg verwoest is, belijdt de klager van dit lied: “Uw troon staat van geslacht
tot geslacht”. Met andere woorden: HERE, uw troon, is niet afhankelijk van de situatie hier beneden. Ook al is het hier beneden een puinhoop, tóch bent U Koning. Niet alleen
vroeger, in tijden die soms (lang niet altijd) beter waren, de tijden “van ouds”, maar ook in het teleurstellende heden.“Gij, HERE, zetelt tot in eeuwigheid”.

Niet alleen ten tijde van onze voorouders, ook nu, en ook - laten we het “van geslacht op geslacht” maar heel concreet nemen - ten tijde van onze kinderen en kleinkinderen. Zoals er hoop was voor het verwoeste Sion, zo is er nu hoop voor een zwakke en verdeelde kerk.
Maar het ontkroonde volk pleit meer om barmhartigheid, dan om recht. De schuld en de onmacht worden eerlijk benoemd. “Breng ons, HERE, tot U weder, dan zullen wij
wederkeren”. Daaruit spreekt grote afhankelijkheid. Een sterkere vertaling is nog: “Breng ons, HERE, tot U, en wij zullen ons bekeren”. Er is een daad van ons nodig: bekering. Ook in ons kerkelijk leven: bekering van ons klein gedoe tot het grote van God, bekering van angst tot vertrouwen. Maar ... alleen God zelf kan dat in ons en in onze kerken bewerken. Daarom begint het gebed om bekering met: “Breng ons,
HERE, tot U”. Waarom?

Omdat bij de HERE genade is, en altijd weer een nieuwe kans. Omdat dichtbij de HERE belangrijke dingen zich schiften van minder belangrijke dingen.
Omdat in de nabijheid van de HERE ons vingertje niet naar de ander gaat maar naar onszelf. Zullen we vanavond zó samen in gebed zijn. Vol schaamte. Maar ook vol verwachting!

 


Terug naar overzicht gebedsavond