Meditatie op gebedssamenkomst

Amersfoort, 27 augustus 1994
prof. dr. ir. E. Schuurman


Broeders en zusters,

Meestal vind ik het niet zo moeilijk om een verhaal te houden. Deze keer wel. We zijn hier bij elkaar als leden van ten minste drie verschillende kerken. Als we elkaar aankijken, elkaar spreken, dan herkennen we elkaar in Christus. En toch trekken we kerkelijk gescheiden op. De moeite is bovendien dat we elkaar voor wat onze kerkkeus betreft ook wel het éen en het ander te zeggen of zelfs te verwijten hebben. Dat is een moeilijke en pijnlijke situatie!

In het verleden heb ik vaak, zij het kleinschaliger, in zo 'n situatie verkeerd. Ik heb oprecht geprobeerd daarin dan de lijn uit te zetten om elkaar te herkennen en kerkelijk te aanvaarden. Ik moet eerlijk zeggen, dat het er eigenlijk nooit beter van geworden is. Soms vrees ik dat het ondanks goede bedoelingen van ons, veelal nog erger geworden is. Ik ben dus somber gestemd. En toch, zij het met vrees en beven, heb ik de uitnodiging om hier vanavond iets te zeggen, aanvaard.
Waarom? Omdat de bestaande verscheurdheid niet het laatste kan zijn. Ze moet ons onrustig houden. Deze bijeenkomst is geen kerkelijke vergadering. Wij nemen geen beslissingen. We willen die kerkelijke vergaderingen ook niet voor de voeten lopen. Eerder willen we elkaar bemoedigen en ons bezinnen. Bezinnen op onze grondsituatie als kerkleden. Want hoe verdeeld ook, we zijn kèrkleden. Dat hebben we gemeenschappelijk. We hebben ook nog het ongedeelde kerkelijk verleden gemeenschappelijk. Zij het dat dit verleden voor de éen langer geleden is dan voor de ander, soms zelfs is het er alleen nog via onze voorouders. Maar het is er toch geweest, en dat is nooit meer weg te nemen. De herinnering daaraan maakt het onvergetelijk en zal ons dankbaar moeten stemmen.

Richten we ons oog op de toekomst, dan is er een hoopvolle verwachting. Die rust niet in onszelf. Maar in Christus. Allen die hun leven geborgen weten in Hem, zullen door Hem tot Zich getrokken worden. Het zal worden éen kudde en éen Herder! De herinnering aan ons gemeenschappelijk kerkelijk leven blijft dankbaar stemmen. De hoopvolle verwachting voor de toekomst gaat daar ver bovenuit. Dan zal er niets meer gevonden worden van wat ons scheidt, dan zal er geen reden meer voor ons kunnen zijn, van elkaar afscheid te nemen. Zelfs de pijnlijke herinnering aan de verdeeldheid van nu zal verdwenen zijn.
Maar, en dat moet gezegd, in het licht van een weliswaar geschonden gemeenschappelijk verleden en een heilrijke toekomst, is ons heden des te pijnlijker en verdrietiger. Natuurlijk onder de voorwaarde, dat we nu, op dit moment, zoals in heel ons leven, Christus willen toebehoren, met hart en ziel het Evangelie geloven en publiekelijk belijden. En dat gezamenlijk. Want we zijn hier als mensen van het gereformeerde appel bijeen, die dankbaar en onbekommerd de gereformeerde belijdenis aanvaarden.

Als we dat inderdaad willen, zou Paulus dan niet tegen ons zeggen, dat we geroepen zijn in de ene hoop van onze roeping, éen Here, éen geloof, éen doop, éen God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen (Efeziërs 4:4-6)? Maar, zou hij -Paulus- ons tegelijk niet kunnen verwijten, dat we ons toch niet beijverd hebben om de eenheid van de Geest te bewaren? Zit daarin niet de oproep: beijver jullie om de eenheid des Geestes te herstellen!

Misschien dat logisch gezien deze conclusie voor de hand ligt, maar toch denk ik dat dit volstrekt ontoereikend is, om tot nieuwe eenheid te komen. Wìj hebben gebroken en wij zijn niet zelf in staat zelf die breuk te helen. Met dat streven naar 'her
stellen' zouden wij ons weleens teveel kunnen begeven in de geest van onze tijd. Die tijdgeest is dat de mens alles in regie meent te kunnen nemen. Vanuit die gezindheid kerkelijke verdeeldheid herstellen -of bescheidener: willen herstellen- zal bij voorbaat tot mislukken gedoemd zijn. We verwachten teveel van ons eigen kunnen, van onze eigen overwegingen en inzichten. Zo 'n oproep tot herstel van kerkelijke eenheid, kan er een uiting van zijn, dat we niet de diepe ernst zien van de breuk, dat we te oppervlakkig bezig zijn.

Ik citeerde zoëven Efeziërs 4: 4-6. Aan het begin van dat hoofdstuk zegt Paulus dat we alleen waardig in onze roeping kunnen wandelen, wanneer nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, en elkaar in liefde verdragen, ons beheerst.
Zou het gebrek daaraan ons niet geweldig parten spelen? En -ik vraag nog even door- denken we misschien ook nog te gemakkelijk dat we zelf wel in die gebreken zullen kunnen voorzien? Ik bedoel dit: weten we echt nog wel wat het betekent van genade te leven? Dat we in onszelf machteloos zijn. Dat geldt persoonlijk, dat geldt ook gemeenschappelijk. En onze gemeenschappelijke kerkelijke zonde zou wel eens kunnen zijn dat we eigenmachtig en eigenzinnig opgetreden zijn en dat nog doen! Wat dat betreft zouden we wel van bekering, van een ommekeer mogen spreken. Niet ons pogen, ons inzicht en onze gereformeerde orthodoxie zal een herstel geven, maar hopen op Gods Geest. Zien op Christus: het Lam Gods dat de zonde van de wereld, van u en van mij en van onze kerkelijke gescheurd-heid, heeft weggenomen!

Ik ga nog een stap verder: zoals wij uit onszelf de kerkelijke eenheid niet kunnen herstellen, zo kunnen we ook niet uit onszelf ons bekeren, ons omkeren tot God en op Hem hopen.
De Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament spreekt veel over bekering. En steeds weer laat de Bijbel ons de voorwaarden ervan zien. We kunnen de bekering als het ware voorbereiden. De voorwaarden voor bekering komen samen in drie bijbelse woorden: bidden, vasten en waken.

Bidden:
dat is Gods aangezicht zoeken,
dat is schuld belijden,
dat is ons in machteloosheid ter aarde werpen en God in Christus aanroepen om Zijn hulp,
dat is aanhoudend smeken,
dat is in geloof de Geest van de Here zoeken,
dat is ook elkaar vrede toebidden.

En dan vasten:
dat is de concentratie zoeken om te kunnen bidden,
dat is de afzondering zoeken,
dat is een uiting van verootmoediging en boetedoening,
dat is uiting geven aan schuld,
dat is verzoekingen en afleidingen mijden.

Bij bidden en vasten hoort ook waken:
dat is niet verslappen,
dat is dus een uiting van volharding,
dat is nuchter blijven,
dat is alle aandacht blijven richten op God,
dat is ook attent zijn op wat God gaat doen,
dat is dat op God wachten,
dat is open staan voor Gods Woord en Geest.

Broeders en zusters,
bent u het met mij eens dat dit bidden, vasten en waken -en echt, ik heb niet anders gedaan dan bijbelse omschrijvingen geven- als we heel eerlijk zijn ons wel wat vreemd zijn geworden? Vreemd in een cultuur waarin wij -ik herhaal het nog eens- alles zelf in de hand willen nemen om onze problemen, ook de kerkelijke, op te lossen. Maar zal het tot kerkelijke eenheid komen, dan zal dat niet gaan zonder bidden, vasten en waken. Daartoe moeten we elkaar opwekken om elk voor zich en gezamenlijk daarin te oefenen. Dat zal geestelijk winst inhouden en onze geloofsactiviteit versterken! Al onze aandacht richten op God. We zullen ons in onze machteloosheid volstrekt van Hem afhankelijk moeten weten en alles van Gods Geest, van de Heilige Geest verwachten.

Bidden, vasten en waken zijn als voorwaarden bedoeld om onze wegen te doorzoeken en te doorvorsen en om ons te bekeren tot de Here (Klaagl. 3:40). En de spits ervan zal moeten zijn, wat ook de profeten Jeremia en Zacharias (31:18 en 1:3) hebben gezegd: Bekeer ons, Here, dan zullen wij ons bekeren.

Wanneer de Here zelf tot ons weerkeert, en wij ons bekeren -in die volgorde!- dan zal de geestelijke en kerkelijke eenheid ons weer geschonken worden, en groeien en opbloeien. En naar mijn vaste overtuiging ook veel verder reiken dan de drie kerkgemeenschappen die hier vanavond vertegenwoordigd zijn. Dan zullen we, omdat we zelf weten van de genade en de liefde van God te leven, de ander in liefde aanvaarden. Dan zullen we de ander uitnemender achten dan onszelf. Dan zullen we elkaar opbouwen. Dan zullen we het goede bij elkaar opmerken en daarin elkaar prijzen. Dan zullen we samen met alle heiligen iets meer verstaan van de breedte en de lengte, de hoogte en de diepte van Gods heil in Christus.
Zou dat geen geestelijk winnen zijn?!
Het vasten zal worden tot vrolijkheid en vreugde (Zach. 8:14)!
Halleluja!


Terug naar overzicht gebedsavond