Meditatie op gebedssamenkomst
2 september 2000
Ds. W. M. van Wijk, Dronten
Waarom ik wil meewerken aan deze gebedssamenkomst?
Heel kort gezegd komt het hierop neer: 'We moeten minder praten en meer bidden'. Daar bedoel ik het volgende mee.
Ik ben gegroeid in de overtuiging, dat de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken op hetzelfde fundament staan en willen staan.
De Heer van de kerk roept ons tot daadwerkelijke eenheid. We hebben de verantwoordelijkheid om onszelf te beproeven: kijken waar wij blokkades hebben gelegd in het verleden. En om te zien, waar wij vandaag muren bouwen in plaats van afbreken. Vanwege het werk van Christus hebben we elkaar als kerken nodig.
Werken aan eenheid zal altijd moeten beginnen bij verootmoediging en gebed: omdat we beseffen dat eenheid van de kerk een genadegeschenk is van de Heer.
Psalm 130: Uit de diepten
Het ligt voor de hand, nu we in deze gebedsbijeenkomst onze aandacht richten op de woorden uit Psalm 130, dat we dan vooral de zaak van kerkelijke eenheid, d.w.z. de kerkelijke verdeeldheid als nood proberen te peilen en als nood bij de Here brengen. Toch, al is het merkwaardig, de kerkelijke verdeeldheid is misschien niet eens de grootste nood, waar we mee te maken hebben.
Laten we proberen dieper te peilen. De échte nood zit dieper dan een in bepaald opzicht oppervlakkige' kerkelijke verdeeldheid. We moeten ons kleine mensen weten voor God: verootmoediging is nodig. Maar waarover?
Wat is de nood, waar het in Psalm 130 over gaat?
Uit de diepten roep ik tot u o Here, Here hoor naar mijn stem;
laten uw oren opmerkende zijn op mijn luide smekingen.
'Diepten'
In de psalmen wordt dit woord gebruikt voor ontzaglijk diepe nood.
De gelovige verkeert werkelijk in doodsnood. En dan niet nood door ziekte, pijn, verscheurdheid, bittere teleurstelling. Daar kan de bijbel óók over spreken (en het één heeft ook altijd met het ander te maken), maar het is de nood van de zónde is, die het de gelovige zwaar maakt en hem in het nauw brengt. U kunt dat heel duidelijk zien in het woord ongerechtigheid: zwaar woord voor zonde als vergrijp tegen God. Je breekt met God.
Hoe zwaar dat weegt, zie je in de woorden (vers 3b):
'HERE, wie zal bestaan?' De bedoeling van de uitroep is natuurlijk: Nee, als de HERE al onze zonden zou optellen (en één zou al genoeg zijn) - dan zou natuurlijk niemand van de mensen het uithouden bij Hem.
Zondenood
Het gaat ten diepste om de nood van de zónde. Maar om welke concrete zónde-nood gaat het dan? 'Zonde' is zo'n algemeen woord, dat het weinig meer zegt.
In het oude testament moeten we denken aan de nood van de ballingschap, als straf op de zonde en ontrouw van Gods volk.
In Daniël 9 vindt u een indrukwekkend gebed van Daniël: een gebed vol verootmoediging vanwege de overtredingen van de vaders: wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest; wij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen, en wij hebben niet geluisterd... bij ons is een beschaamd gelaat, bij de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en bij geheel Israël, bij hen die dichtbij en bij hen die veraf wonen... bij onze vorsten en onze vaderen...
En Daniël herinnert eraan, dat God door Mozes heel duidelijk van de straf van het verbond had gesproken. Daniël maakt zich niet los van de zonden van het volk; ook al was hij zelf rechtvaardig en bleef hij trouw aan God. Hij zegt niet: Ik heb daar niets mee te maken, maar het is onze nood, onze gemeenschappelijke nood. Van de vaders, van de kinderen, van de hooggeplaatsten, van heel het volk: van groot tot klein.
In die diepten is Psalm 130 geboren. De nood van de 'kerk in ballingschap'. De nood, niet van enkelingen, maar van heel Gods volk. Niet persoonlijke nood van de gelovige, maar de 'ik' bidt en roept midden in kerkelijke ellende en misère.
Wat betekent dat voor ons?
Als wij bidden vanuit de nood van de kerken, dan doen we dat niet vanuit een gevoel of houding van superioriteit, maar vanuit solidariteit in zonde, schuld en nood.
Niet superieur: wij zien het beter; wij zijn tenminste betrokken op de nood; ánderen zien dat allemaal niet zo zitten of hebben zelfs bezwaren tegen activiteiten.
Superioriteit is onvruchtbaar. Dat leidt juist tot gescheidenheid bínnen een kerkgemeenschap, terwijl we biddend dienstbaar willen zijn.
Solidariteit: de nood van de kerken is gemeenschappelijke nood - ook al zou je daar zelf niet zo heel direct deel aan hebben, je maakt er wel deel van uit. En de last van de zondenood drukt ook wel zwaar op je. We zijn geen haar beter dan een ander.
Wat is die zondenood dan?
Een paar dingen wil ik noemen. Dat doe ik met enige voorzichtigheid, omdat de dingen, die ik wil noemen, vooral gebaseerd zijn op eigen ervaringen, observaties en overwegingen binnen de kring van de GKV. Ik mag redelijkerwijs veronderstellen, dat deze ook wel toepasbaar zijn ten aanzien van de CGK en de NGK, maar ik wil daarover terughoudend spreken.
De volgende checkpunten heb ik ontleend aan de toespraak van ds. H. Knoop op 11 augustus 1944! De overeenkomsten zijn opvallend.
A - Het gevoel van gearriveerd-zijn
Als vraag tot zelfbeproeving: Is er intern niet het gevoel van: Wat moeten we nu nog? We hebben alles. Zorg ervoor dat je vasthoudt wat je hebt. Daar is ook een mooie bijbeltekst over. Nu zal niemand dat zo hardop zeggen: we hebben alles! Waar merk je dat dan aan?
1) Ik proef weinig bereidheid om terug te kijken naar de recente kerkelijke geschiedenis. Om kritisch te kijken naar de daden van het voorgeslacht. Een zekere angst daarvoor is begrijpelijk. Je wilt immers het voorgeslacht trouw blijven. Zeker omdat zij in hun kerkelijke strijd gedreven werden door de wil en de hartelijke begeerte om de Here trouw te blijven - wie zijn wij, dat wij daar op een afstand een oordeel over gaan vellen? Kritische geluiden ten aanzien van het kerkelijk verleden worden verdacht van ontrouw aan het voorgeslacht. En ontrouw aan de zaak van Christus.
2) Hoeveel ontwikkeling is er van het christelijk geloof vanuit de traditie van belijdenis en kerkorde, om die vruchtbaar te maken voor de moderne mens? Verwoording van het Evangelie in de taal en belevingswereld van de moderne mens. De belijdenis als product van een geloofsontwikkeling en geloofsstrijd in de 16e eeuw fungeert als toegangspoort. Vanuit het hart: sola scriptura zullen we de rijkdom van de gereformeerde confessie voor vandaag moeten uitbuiten. Ook hier speelt angst een rol: waar kom je uit, als je een dubbele punt achter de belijdenis zet? Angst is een slechte raadgever. En mag geen alibi zijn om maar niets te ondernemen. Om te doen alsof in de confessie het laatste woord over het Woord is gesproken. Alsof de gereformeerde theologie alles over God gezegd heeft...
3) Veel van het kerkelijk leven speelt zich af op het niveau van actie, beleid, vergaderen, intellect. Vanuit een houding van arrivé is er weinig behoefte en bereidheid om te zoeken, te groeien. Je hébt al gevonden. Je bént al volwassen. Zoeken, groeien maakt onzeker. Gearriveerd zijn, het geestelijk leven keurig in kaart hebben biedt steun en zekerheid. Je hoeft alleen maar te zorgen, dat je alles binnen de perken houdt. Wie daaraan morrelt, krijgt de kous op de kop. Zeker: er is veel christelijke ijver, actie; studie van theologie en kerkelijke trouw. Maar zijn dat bewijzen van een volop leven in en met Christus? We zitten met elkaar midden in een sfeer van zelfgenoegzaamheid: we redden onszelf wel. We hebben de wereld niet nodig, we hebben elkaar als kerken maar amper nodig... menen we. Maar zal God onze werken vol bevinden? Komen deze werken voort uit een wedergeboren hart? Zijn we christenen uit één stuk, bij wie niet alleen het verstand aangeraakt, maar ook het hart, de wil en de emotie aangeraakt is met de vreugde van het Evangelie?
B - Met dat gevoel van gearriveerd zijn hangt samen een fundamentele verschuiving van de geloofsaandacht van Christus af naar onszelf toe. Ik bedoel daarmee, dat we zo gemakkelijk gaan spreken over 'onze' kerk, 'onze' politiek, 'onze actie'. Nu kan dat in het dagelijks spraakgebruik best wel onschuldig gebruikt worden. Als je 'ons' gebruikt om je te onderscheiden van de 'ander'. Toch val je gemakkelijk in de denk- en geloofsfout, dat de kerk van mensen is. Dat de kerk wordt tot een club. Een groep van gelovigen. Dan wordt de GKV de club van gelovigen, die strak zijn in het handhaven van de belijdenis en strak in organisatie, de CGK een brede kerk van mensen, die behoudend zijn tot kritisch en voor de NGK typerend is hun tolerantie en hun losse structuur. Dan wordt de kerk tot niet meer dan een sociologische grootheid, een groep, die voldoet aan een aantal kenmerken met een aantal groepscodes; dan is de prikkel om kerkelijke eenheid te zoeken verdwenen - want ieder wil zijn eigen sfeertje bewaren en kerkelijke cultuur bewaren. En sociologisch gezien schijnt dat nog aantrekkelijker te zijn ook! Wanneer we onze geloofsaandacht richten op Christus en we geloven, dat de kerk de vergadering is van ware christgelovigen, die al hun heil van Jezus Christus verwachten zal ons dát juist aangrijpen, om de geloofsgemeenschap te zoeken, te bewaren en vorm te geven met állen die de naam van Christus in waarheid liefhebben. Dan zal de kleur en de geur en de smaak van ieder niet meer de boventoon voeren en zal ook niet onder hoeven te sneeuwen, maar dan is en komt er eenheid in bonte, veelkleurige verscheidenheid, die alles te maken heeft met de veelkleurige wijsheid van onze God.
C - Met het gevoel van gearriveerd-zijn hangt ook samen een gering besef van en uitzien naar de wederkomst van Jezus Christus. Daarover zal ds. Hulshof straks meer zeggen.
D - Ik wijs u ook op de realiteit van het praktisch materialisme. Ik noem het realiteit en niet maar gevaar. Een gevaar kan dreigen; kan op je afkomen, terwijl je het niet ziet. Maar er is meer aan de hand: het materialisme heeft ons op allerlei manieren in de houdgreep. Veel wat christelijk heet of gereformeerd heet is verwaterd; verdund. Gereformeerd is een dun deklaagje vernis, maar het hart is daaronder verdwenen. Ik konstateer, dat er een grote geestelijke matheid is.
a) In het verbondslied Deut 32 wordt er al fel over gezongen: toen werd Jeschurun vet, dik en vetgemest werd je. Hij minachtte de Rots van zijn heil. Jeschurun = liefkozende naam voor Gods eigen volk.
b) In de tijd van Haggai: de mensen draafden voor eigen zaakjes; hun huizen stonden er keurig bij en ze hadden allemaal wel een reden om niet te werken aan de tempel, waar de Heer wil wonen in welgevallen en heerlijkheid (Haggai 1).
Nogmaals: het materialisme heeft niet ánderen in de greep, maar óns, mij/u. En ik vraag me af, hoe het míj in de greep heeft; hoe ik mij laat inpakken door reclame en hebzucht enz.
E - Bovendien is er een gemis aan verdrukking. In bepaald opzicht is het gemakkelijk om christen te zijn. Het kost je, oppervlakkig gezien, niets. Je hoeft je leven niet te riskeren om het bezit van een bijbel; je hoeft niet met gevaar voor gevangenschap naar de kerk te gaan. Nee, we hoeven niet naar martelaarschap te verlangen. Laten we onszelf maar de vraag stellen, of we ook voor Christus zouden willen sterven.
Dit praktisch materialisme, begunstigd door het gemis aan verdrukking, is de dóód voor écht leven uit geloof, geestelijk leven. Zo'n houding wil ook niet in beweging komen om te zoéken naar de eenheid met allen die de Here Jezus in waarheid liefhebben.
Al deze dingen ondermijnen een écht toegroeien naar elkaar als kerken. Kerkelijke verdeeldheid staat niet los van ándere geestelijke noden, maar is daar helemaal mee doorweven.
We begonnen met de woorden:
Uit de diepten roep ik tot u o God. Here, wie zal bestaan voor uw gezicht?
Laten die woorden ónze woorden zijn. En laten we met een voorzichtige taxatie van het geestelijk leven ons niet distantiëren, maar ons betrokken weten op de gemeenschappelijke nood van de christenheid in Nederland, van de gereformeerde kerken (CGK, NGK, GKV) vanuit een diepe persoonlijke zondekennis. Alleen met verbroken en verbrijzelde harten kan God iets doen. Laten we ons zó verootmoedigen voor de Here God.
Heer in de hemel,
wij komen eerbiedig, ootmoedig tot U: Hoor naar ons gebed. Ja uit diepe nood roepen we tot u, die in de hemel woont.
U komt ons tegemoet met uw liefde.
Wij staan schuldig en onrein voor U: niemand van ons kan uit zichzelf overeind blijven. Als u onze zonden ons in rekening zou brengen, zouden we allemaal verloren zondaars zijn.
We belijden dat er zoveel hoogmoed is in ons hart; zoveel eigengereidheid, eigenwijsheid; zelfhandhaving. We zoeken ons eigen recht. Dat zeggen we zo van onszelf. We belijden het ook voor de kerken, waar we deel van uit maken. Zonde van onrecht en liefdeloosheid hebben ons zo vaak in de greep.
We zondigen tegen al uw geboden: U staat lang niet altijd centraal bij ons. We hebben het zo vaak over onszelf in plaats van over U. We zijn zo verwend geraakt in welvaart en luxe, dat ons geestelijk leven schade lijdt. Diep in ons hart kan ook angst en onzekerheid schuilen.
We verootmoedigen ons over kerkelijke verdeeldheid; we ontmoeten elkaar als broeders en zusters in Christus. Maar wat zijn er ook niet door onze tekorten en onze schulden belemmeringen gekomen. Laat de geloofsband aan onze Heiland ons zover mogen brengen, dat we ook kerkelijk elkaar mogen erkennen, ontmoeten en zó de gemeenschap van het geloof beleven.
We verootmoedigen ons over kerkelijke verdeeldheid, die soms ook geboden is terwille van het Evangelie. We zien om ons heen ook ontrouw; dat mensen en kerken de bijbel loslaten en de heldere boodschap dat Christus de Redder van de wereld verdoezelen of zelfs ontkennen. Die loochenen, dat alleen het bloed van Christus ons reinigt van onze zonden. Ook dat doet ons verdriet. We bidden dat er terugkeer mag komen; bekering om zo te groeien in waarheid, eenheid, wijsheid.
We pleiten op uw eindeloze goedheid: want bij u is vergeving. U zelf zult uw volk verlossen van alle ongerechtigheid.
U, Here Jezus, bouw aan de eenheid van uw kerk - ook in ons land. En maak ons allemaal tot gehoorzame volgeling van u.
Vader in de hemel, hoor ons bidden en smeken in de naam van Jezus Christus, die de Herder van zijn gemeente, de kerk, is.
Amen.
Terug naar overzicht gebedsavond