Meditatie op gebedssamenkomst
Amersfoort, 6 september 2003
Drs. W. Steenbergen
Het wordt féést in de stad van God. Gróót
feest zelfs! Vanwege de grote barmhartigheid van God voor
zondige mensen. Een barmhartigheid die zichtbaar en tastbaar
wordt in de viering van het Pascha. En daar komt dan een
grote gemeente op af om te belijden en te beleven dat
ze het van die barmhartigheid moeten hebben. En mógen
hebben!
God geeft in de harten van het volk een grote eensgezindheid
om Hem te zoeken – en in dat zoeken van de HERE
vinden ze dan ook elkaar.
En nu ga ik in de toepassing van dit gedeelte heel kort door de bocht en trek direct de lijn naar vandaag, naar ons.: zó wil onze God het ook nu geven. Dat we elkaar weer vinden omdat we samen willen leven van het evangelie van zijn genade. Zoals we het zo meteen zullen zingen: des Heren tafel brengt ons tot elkaar in vrede.
Maar dan… er dreigt een kink in de kabel te komen.
Want er zijn er, er zijn er zelfs vélen, die
niet voldoen aan de voorschriften voor het feest. Nee,
ze horen niet bij de spotters waarover we hier ook lezen.
Helaas zijn die er óók, ze zijn er ook
nu. Altijd zal het evangelie afstuiten op harten van
mensen die er alleen maar om kunnen lachen.
Maar zo is het niet bij die mensen over wie het nu gaat.
Het evangelie heeft bij hen de deur van het hart open
gekregen, en ze geven er graag gehoor aan. Alleen: ze
hebben zich nog niet gereinigd zoals dat zou moeten.
Eigenlijk kunnen ze zó niet deelnemen aan het
gemeenschappelijke feest. Ze schieten tekort in de reinheid
die bij het heilige past… (zo staat het er).
Weer maak ik de sprong van toen naar nu.
Is dit niet wat wij als christenen van de éne
kerk in het verleden vaak hebben gezegd tegen broeders
en zusters van de andere kerk: U schiet in uw belijden
en beleven toch nog tekort in zuiverheid. De zuiverheid
die past bij het heilig evangelie. U zou zich eerst
nog verder moeten reinigen, want zó kunnen we
toch niet samen Gods genade vieren rondom de tafel van
onze Here en Heiland. En zo werd het gemeenschappelijke
feest opgeschoven, jaar in jaar uit.
Hier in Jeruzalem gaat het ánders! Er is geen
sprake van uitstel, het feest gaat door! Hoe kan dat?
Omdat er een koning is die bidt voor zijn volk. En weer
zeg ik: dat was toen zo, en dat is nu zo. Toen was het
koning Hizkia. Nu is het koning Jezus. Hij doet voorbede
voor mensen die niet voldoen aan de reinheid die bij
het heilige past.
Er vallen mij in dat gebed van Hizkia twee dingen op.
- Het is een gebed op grond van de goedheid van God.
De HERE die goed is, zo noemt Hizkia Hem. En zo mogen
wij Hem helemaal kennen in Jezus Christus. Hij is die
God die erop uit is, niet om mensen buiten te sluiten
maar om ze erbij te halen. Een God van verzoening en
vrede. Daar mag Hij dan ook om gebeden worden: de HERE
die goed is doe verzoening…
En wie wil Hij dan samenbrengen bij het feest van die
verzoening?
- Dat is het tweede dat opvalt: op ieder die z'n hart
erop gericht heeft God de HERE te zoeken, ook al was
het niet naar de reinheid die bij het heilige past.
Dat láátste is dus niet de norm! Als dat
eens wel zo was, als wij eerst helemaal zouden moeten
voldoen aan de zuiverheid die Hij vraagt, broeders en
zusters: wie zou bestaan? Wie zou dan nog mogen meedoen
met Gods feest?
Als we daar goed over nadenken zullen we beseffen dat
wij maar niet in de eerste plaats naar de ander moeten
wijzen en dan zeggen: zo kunnen wij niet samenzijn.
Iedere gelovige en elke kerk zou vooralsnog genoeg hebben
aan zichzelf en van zichzelf moeten zeggen: zo kan ik
er niet bij horen. Zo kunnen wij niet meedoen.
Maar de norm voor de gemeenschap met de HERE en dus
ook voor de eenheid met elkaar is niet of wij de volle
zuiverheid al bereikt hebben. Maar of ons hart erop
gericht is de HERE te zoeken. De God van de vaderen,
staat erbij. De God van Abraham, Izaäk en Jakob.
God zoals Hij zich geopenbaard heeft in de geschiedenis
van Israël . Wij mogen zeggen: God zoals we Hem
kennen in die éne Israëliet, in de Here
Jezus Christus. Is het ons erom te doen die God te kennen
en in onze schuld en ons tekort van zijn goedheid te
leven?
Als dat zo is neemt Hij ons aan en en laat ons toe tot
zijn feest. En daarbij ontmoeten we dan ook elkaar,
in onze onvolmaakte reinheid – maar we weten onszelf
en de ander geheiligd in de voorbede van Christus. En
we vinden onze eenheid daarin dat we bij elkaar datzelfde
hartelijke zoeken van de HERE herkennen. En samen bidden
we:
Vul aan wat ons ontbreekt, want stukwerk is ons pogen.
En wat ons afleidt van de vrede uit den hoge,
laat dat, verheven licht in vuur en wind vergaan.
Houd Gij ons staande door het wonder van Gods naam.
(Gez. 242: 6)
Terug naar overzicht gebedsavond